Categorie Archieven: Psychology

88527407

* Hoe mensen je zien
* Hoeveel je daarvan bewust naar voren schuift
* Hoeveel er strookt met de  – oude en/of nieuwe – realiteit
* Hoeveel mixed signals je de wereld instuurt
* Hoe en wat daaraan te veranderen indien nodig
* Hoe consequent te blijven in die signalen als het karakter niet consequent blijkt
* Hoe met dat gegeven voor zo weinig mogelijk verwarring zorgen bij de buitenwereld
* Hoeveel je overneemt van de mensen met wie je vaak optrekt
* Hoeveel daarbij nog van jezelf overblijft, zeker wanneer er permanent een significant other bij je inwoont
* Of de theorie klopt dat je van die inwoner minder overneemt dan van anderen
* In hoeverre je bepaalde karaktertrekken – in eerste instantie onbewust – uitvergroot wanneer je merkt dat diegene die je tegenover je hebt, die trekken vrij tot zeer duidelijk ook vertoont
* Hoe gek het is om te beseffen dat je dat doet
* Hoe al even gek het is als je ziet wie diegene is die je daarover – ook weer geheel onbewust – met de neus op de feiten drukt
* Hoe nog altijd gek het is om soms tijdens een gesprek met een min of meer vreemde meer te leren dan uit ontelbare gesprekken met bekenden
* Waarover andere mensen denken nadat ze uitgedacht zijn over wat ze nog moeten doen/kopen/opschrijven/….
* Of andere mensen het überhaupt nodig vinden om zich het hoofd te breken over zulks vermoeiends dan wel gelukzalig over de mogelijkheid beschikken om gewoon numb te gaan en in het nu te leven zonder hersenspinsels
* Of ik nog veel moeër kan worden dan dit

De ochtendfile, dat is hard labeur met al dat denken. En dan heb ik het nog niet eens over de nachtelijke uren, wanneer ik op kruissnelheid ben. Zucht.

Ik haat het als ik mijn lichaam en geest moet proberen ontcijferen om te achterhalen wat ze nu weer van me willen. Sinds een week duiken er namelijk her en der wat kwaaltjes op van de onheilspellende soort, en voor het eerst sinds jaren kreeg ik drie oldskool angstaanvallen op een week te verwerken. De oude inwendige vragenlijst wordt dus weer bovengehaald. Loopt er lichamelijk iets mis? Geen idee, anders had ik me de rest van de vragen niet moeten stellen. Is het tijd om nog eens een bezoekje te brengen aan de huisarts? Nope, daarmee wacht ik meestal tot ik bijna op sterven lig, en hoewel de klachten duidelijk genoeg zijn om op te merken, zijn ze all over the place, zonder op het eerste zicht duidelijke structuur of verband. Moet ik het in het kader van de awakenings plaatsen, aangezien een paar van de klachten overeenkomen met wat er in dat departement gebeurt? Dat zou de leukste optie zijn, maar ik blijf liever zo sceptisch als mogelijk wat dat betreft. Zit ik in zo’n stressvolle situatie momenteel? Nothing I can’t handle, but then again, bewust kan ik een pak meer aan dan een jaar geleden, maar misschien wil het onderbewuste nog niet mee en revolteert dat nu. Is het de aloude weerslag, de crash die volgt tijdens een redelijk goede periode vlak na een behoorlijk slechte periode? Possible, but not proven. Vind ik het klote om zo donderdag naar Amsterdam te vertrekken? Absofuckinglutely, want in combinatie met de aanslepende insomnia en een uurrooster dat daar tot op de laatste minuut voor vertrek nog een flinke schep bovenop zal doen, is dit niet bepaald een lachertje. Is het gewoon het slaaptekort dat me de das omdoet? Kanshebber, maar er zijn nog verdacht veel dagen dat ik een opmerkelijke dosis energie, zowel mentaal als fysiek, heb – vandaag niet meegerekend, ik zou slapen waar ik sta, als ik kon uiteraard, mwoehaa – om aan te nemen dat ik op dat vlak al op mijn tandvlees zit. Is het feit dat ik pas half juli eindelijk eens een weekend gewoon thuis ben een grotere domper op de feestvreugde dan ik zelf doorheb? Het overwegen waard, maar als ik het zelf niet doorheb, is het nogal moeilijk om dat als oorzaak aan te duiden. Duh. Heb ik zin in een nieuwe periode die getekend wordt door angstaanvallen, net op het punt dat ik eindelijk durfde geloven dat dat, op één fobie na, definitief tot het verleden behoorde? I’d rather chop my head off and feed it to the ferrets. Laten we de moed al bij voorbaat zakken? Hell no. Niet voor de dag dat er in die context woorden gebruikt worden als ondraaglijk, 24/7, dokter en medicatie.
Voorlopig sta ik erbij, kijk ernaar, and can’t help but wonder: now whàt??

girl

 

Aangezien ik niet veel anders kan dan tv kijken, lezen en laptoppen, ben ik eindelijk begonnen in het boek over hoog sensitieve personen. Kritisch als ik ben, blijf ik altijd wat op mijn hoede met psychologische testen en omschrijvingen, want ik ben van mening dat, als je je ergens in wil vinden, dat altijd wel op één of andere manier lukt. Ieder van ons is complex genoeg om zichzelf in bijna elke karaktertrek wel een beetje te herkennen. Of ik effectief een HSP ben, is allesbehalve zeker, ik zal evengoed in mindere of meerdere mate aan andere karakteristieken en ziektebeelden voldoen, en ik heb hierover geen arts of psycholoog geraadpleegd, en misschien is het ook niet zo belangrijk. Wat voor mij veel belangrijker is, is dat het boek, terwijl ik nog maar halfweg ben, zijn belofte al nakomt: het plaatst je hele leven in een nieuw kader, het doet je anders naar jezelf kijken dan je tot nog toe deed. Mijn hele leven is in de laatste uren helemaal aan mij voorbijgegaan en het trefwoord dat overduidelijk primeerde was angst. Niet dat dat een nieuw gegeven is, verre van, maar ik denk anders over mezelf en mijn leven dan toen ik vanochtend, en alle andere ochtenden in mijn leven, opstond. Uitgaande van de kenmerken van HSP’s, die overweldigd worden door alle prikkels die het dagelijkse leven inhoudt – geluiden, licht, mensen, geuren, beweging, stilte, nieuwe dingen, communicatie, niet-communicatie,… –  is de wereld één grote, gevaarlijke dreiging.
En dat is de wereld inderdaad al altijd geweest voor mij, besefte ik toen ik blad na blad verder las. Ik zag mezelf weer als kleine uk, met mijn eerste rode boekentasje met een Vitabis – bestaat dat nog? – in, helemaal niet klaar om na twee jaar als enig kind in een veilig nest te hebben doorgebracht ineens te worden geconfronteerd met andere levende wezens. Hoewel dat veilig ook met een korrel zout te nemen is, aangezien mijn moeder er niet veel beter aan toe was als ik, en ik er stellig van overtuigd ben dat haar depressies, stress en bijhorende zenuwachtige, strenge en humeurige gedrag van weleer een heel zware impact op mij hebben gehad, want kinderen pikken zoveel meer op dan volwassenen in eerste instantie denken. Ik zag het niet alleen, ik voelde het ook weer, dat angstige, ontredderde gevoel. Ik zag mezelf weer stilletjes in een hoekje op de speelplaats staan, want al dat geloop en gegil van de andere kinderen was me wat teveel, en al die acrobatische kunstjes en voetballen waren me te gevaarlijk. Ik zag mezelf weer elke ochtend in tranen en met verschrikkelijke buikpijn op de schoolbus stappen, elke keer weer hopend dat mijn meter, die me voor en na school opving, die dag ging zeggen dat ik niet meer hoefde te gaan. Dat ik thuis in de zandbak mocht blijven spelen, en met de dieren, want daar hield ik wel van, van dieren, veel meer als van mensen. Of dat ik, eens ik over die vaardigheid beschikte, de hele dag mocht lezen, want dat was mijn liefste hobby. Ik zag mezelf weer ziek elk jaar in september, elk jaar met de kermis, en elk jaar bij het begin van de vakantie, want die veranderingen in mijn omgeving deden me geen goed. Het was allemaal gewoon té voor mij, zelfs de leuke dingen. Ze brachten me van streek, ook al had ik naar iets uitgekeken, want het was niet wat ik gewend was. Ik zag mezelf weer in angst voor de andere kinderen, de lessen, de leerkrachten en hun eventuele vragen, hoewel ik elk jaar bij de besten van de klas was. Ik zag mezelf weer als tiener, zelfs dan nog lijdend onder diezelfde angsten, en hoe die angsten dagelijks zelfs lichamelijk tot uiting kwamen. Ik zag mezelf weer de vele onderzoeken ondergaan bij dokters en in ziekenhuizen, wanhopig op zoek naar een aanwijsbare oorzaak van al dat lichamelijke leed.
Ik zag het allemaal terug en kreeg ineens ontzettend veel medelijden met dat kleine meisje. Of ik door alles vroeger – en nu eigenlijk nog altijd – zo overweldigd werd door het feit dat ik een HSP ben, of dat de oorzaak helemaal ergens anders ligt, maakt niet zoveel uit. Het feit blijft dat, zonder het al teveel te willen dramatiseren, iederéén van ons heeft moeilijkheden, het geen wonder is dat ik geworden ben wie ik ben, als ik in beschouwing neem hoe verschrikkelijk ik de wereld al ervaarde als peuter, en dat zo is blijven voortduren. Het mag eerder een wonder heten dat ik nu leef zoals ik leef. Stel je voor dat elk kindje dat komt vragen om te spelen, elke juf die je vraagt hoeveel 2+2 is, elke tante die je vraagt hoe het op school was, zodanig als bedreigend wordt ervaren dat je kleine lijfje – in mijn geval meer bepaald het spijsverteringsstelsel – er op reageerde, hoeveel en hoe lang zou je zoiets kunnen dragen – en het kunnen plaatsen, want als vierjarige had ik toch net iets minder inzicht als nu – zonder niet een beetje tot waanzin gedreven te worden, zonder aan de rand van complete uitputting te staan, zonder daar blijvende gevolgen van te dragen?
Mijn angstige reactie op zich kan als flauw gezien worden en ik ben de eerste om dat zelf toe te geven – uiteindelijk heb ik nooit echte rampen meegemaakt; ik ben nooit in een allesverwoestende orkaan beland of niemand heeft mij ooit willen vermoorden – maar misschien moet ik mezelf over all toch niet langer blijven zien als een loser, een zwakkeling. Misschien ben ik net sterk, want of die angsten voor alles wat maar bewoog nu een reëel gevaar inhielden of niet, voor mij waren ze levensecht, en moest ik er dag in dag uit mee omgaan. En, in alle bescheidenheid, ik doe het toch maar, want hoe anders ik ook ben, hoe anders ik ook reageer op de dingen, hoeveel gevaarlijker gewoonweg leven ook is in mijn hoofd, ik leef mijn leven zoals de anderen, zoals de maatschappij van mij verwacht. Ik trotseer de al dan niet ingebeelde gevaren elke dag om te gaan werken zoals iedereen, ik ga relaties aan, ik run een huishouden. Ondanks alles doe ik netjes wat de kudde tweepoters van mij verwacht dat ik doe.
Wat me op zijn beurt dan weer misschien ongelooflijk dom maakt. Want voor wíe doe ik al die dingen eigenlijk om aan het ideaalbeeld te voldoen? Wie heeft er baat bij dat ik alles zo mooi volgens de opgelegde regeltjes en volgorde doe terwijl het zo hard tegen mijn natuur indruist? Wat als ik mezelf nu gelukkiger zou maken door ergens op een berg te gaan wonen, ver weg van de bewoonde wereld en alleen omringd door dieren, hele dagen tekenend of whatever, net genoeg om in de basisbehoeften te kunnen voorzien? Zou daar iemand op deze planeet – buiten de regering, die in dat geval niet langer de helft van mijn loon kan aanslaan – slechter van worden? I think not. Heb ik de guts om de maatschappij de rug toe te keren en mijn hart te volgen? I think not. Een beetje chicken shit, weet je wel.
Maar ik leer bij. Een paar weekends geleden zag ik – op het werk, of all places – bijna het licht. Het drong ineens tot me door dat er van al mijn angsten nog maar weinigen werkelijkheid waren geworden, en plots vroeg ik me af waar het dan allemaal goed voor geweest is, al dat sidderen en beven. Ik besloot het ter stond blauw en groen op wit te zetten, alsof ik een brief naar mijn pasgeboren zelf schreef, in de hoop het nooit meer te vergeten. En dus schreef ik het volgende naar baby Nina:

Little girl,
* you’ll think you’ll faint 24/7 for many years, but you’ll only do so a few times, and it’s not that scary
* you’ll hate your job, but you’ll find another one
* you’ll get on many planes, but you will never crash
* your heart will act up a whole lot of times, but it will never stop beating
* you’ll think you’re gonna die eating or drinking, but you’ll never do
* you’ll lose some friends, but you’ll find new ones
* your heart will be broken when you’re 17 and 29, but it will get fixed
* you’ll have a lot of doubts, but you’ll let go of them along the way
* you’ll look death into the eyes several times but you’ll walk away from it
* you’ll be scared of water, but you’ll learn how to swim
* you’ll wish you were somewhere else, but you’ll discover there’s no place like home
don’t be afraid

Mijn eerste dertig levensjaren krijg ik nooit meer terug, maar soms, heel soms, heb ik goede hoop voor de volgende dertig jaar, en dat die heel wat zorgelozer en dichter bij mezelf zullen verlopen. Kon ik die brief van mijn zestigjare zelf aan mijn dertigjarige zelf maar ergens vinden.

72582582

Misschien moet ik maar eens leren aanvaarden wat ik ben. Dertig is een mooie leeftijd daarvoor, me dunkt. Een paar dingen hebben me de afgelopen weken met de neus op de feiten gedrukt. Het was onaangenaam en geruststellend tegelijkertijd. Een eindelijk thuiskomen, ook al is die thuis niet zo geweldig. Die dingen, dat zijn gesprekken en leesvoer over autisme en hoog sensitieve personen. Niet dat ik wil gezegd hebben dat ik één van beiden heb of ben. Ik ben de laatste om mee te doen aan de hype waarbij je één of andere trendy ziekte moet hebben, want het is al erg genoeg dat mijn huisarts in mijn bijzijn woorden als ‘angststoornissen’ en ‘depressie’ in de mond neemt. Maar toch, ik heb hier en daar dingen opgevangen die schrikbarend herkenbaar zijn.
Die dingen, dat zijn ook situaties. Zo sprongen we onlangs even binnen bij Maylens ouders, waar vlak na ons ook Maylens broer met vrouw, kinderen én twee logeerkinderen kwamen binnengevallen. Zo’n scenario, dat is voor mij de hel. Met stijgend afgrijzen keek ik vanuit een luchtbel toe hoe iemand vanuit de woonkamer iets naar iemand in de keuken riep terwijl diegene die aan tafel zat een heel gesprek voerde met iemand die voor tv zat. Horror is dat voor mij. Pure horror. Meer dan twee mensen rondom mij, verschillende gesprekken door elkaar, de ene die zijn stem verheft en de andere die iets drie keer herhaalt,… Elke keer als ik uit zo’n situatie kom, voel ik me alsof ik net een marathon heb gelopen, de grootste kater ooit heb en weet ik niet wat ik eerst moet doen: overgeven, Maylen zo gemeen mogelijk afsnauwen of een duchtig potje janken. Compleet uitgeput en van de kaart ben ik na zo’n (half) uurtje. Niet voor niets heb ik het nieuwjaarsfeest gemist en loop ik al een jaar of zes beloofde verjaardagsetentjes achter. Als ik er dan toch niet onderuit kan, maalt het al een week op voorhand door mijn hoofd en ben ik de dag zelf niet te genieten. Ik moet op zo’n dagen een sterk staaltje ‘mentaal vooropladen’ tentoon spreiden om mezelf zover te krijgen effectief op de plaats des onheils te verschijnen. Of ik dan ook nog in staat ben een fake smile op mijn gezicht te toveren en actief deel te nemen aan de gesprekken, is keer op keer een verrassing waarvan ik tot op het moment zelf ook nooit de uitkomst weet.
Terwijl ik verder in elkaar kromp en verwoede pogingen deed zo diep mogelijk weg te kruipen in een onzichtbaar doch zeer afdoend schild, dacht ik terug aan de paar bladzijden die ik vlak ervoor in een boek had gelezen dat er op tafel lag. En plots besefte ik duidelijker dan ooit dat het lang niet alleen de aard van mijn werk is dat mij tegensteekt, maar veel meer nog de omgeving.
Zoveel meer. Continu word ik omgringd door een veertig- à zestigtal collega’s, terwijl ik eigenlijk liefst van al helemaal niét omringd word. Na vijf jaar voel ik me er nog steeds niet thuis en zijn er nog altijd collega’s met wie ik nooit een gesprek heb gevoerd. Diegenen met wie dat wel gebeurt, hebben dat louter aan zichzelf te danken. Als ze tenminste een conversatie die naam waardig aanknopen, want op bedenkingen die sommigen klaarblijkelijk graag luidop maken in plaats van ze in stilte te denken, ga ik zelfs zelden tot nooit in. Voor opmerkingen als “Oei, die-en-die en gaan uit elkaar lees ik hier” of “Amai, ik heb honger, wat zou ik eens eten” kan en wil ik doorgaans niet uit mijn eigen wereldje komen. Mijn gave om in zo’n gevallen te doen alsof ik zo geconcentreerd aan het werk ben dat ik het niet eens hoor, zijn ongeëvenaard. Collega’s die mijn bureau naderen zijn genoeg om mij uit mijn humeur te halen, want zoals ondertussen al wel duidelijk is, word ik liefst van al gewoon met rust gelaten. Als het aan mij lag, ging ik vanuit mijn auto rechtstreeks naar een bureau ergens diep in de kelder, deed daar de hele dag onzichtbaar mijn werk en sloop ’s avonds weer terug naar mijn auto. Better yet, als het aan mij lag, had ik al jaren mijn droom om zelfstandige te worden verwezenlijkt. Ik heb nooit helemaal begrepen waarom ik dat zo graag wil, want zelfstandigen zijn vaak mensen die van zichzelf zeggen “dat ze geen gezag verdragen” terwijl ik mezelf helemaal niet tot die categorie reken. Voor diegenen die er nog aan twijfelden; ik loop mijn hele professionele leven dus voor een behoorlijk groot deel ongelukkig omdat ik, zoals ik nu ontdekt heb, gewoon niet echt functioneer in een mensenmassa. Het vecht elke dag opnieuw met mijn hele zijn, die niet aflatende confrontatie met anderen waarvoor ik niet gekozen heb om ze in mijn buurt te hebben.
Het is misschien ook een verklaring waarom ik bijna fysiek reageer als de telefoon gaat en het een onbekend nummer is, of als de hond onrustig wordt en even later de bel gaat. Ik word er gewoon slecht van, mensen die onaangekondigd op mijn terrein komen. Mijn thuis is de enige plek waar ik me goed voel, net omdat daar, buiten mijn One, niemand is. Als er dan plots toch wel iemand is, raak ik helemaal uit balans. Zo uit balans, dat ik al jaren geleden tegen Maylen heb gezegd dat, als we ooit verhuizen, het moet zijn naar een huis waar ik niet thuis kan zijn, ook al ben ik het wel. Een garage die mijn aanwezige auto onzichtbaar maakt, een voorgevel met in het slechtste geval enkel hoog geplaatste ramen maar liefst helemaal geen, en geen mogelijkheid om via de tuin ineens op te duiken aan het gigantische keukenraam dat ik wil om zoveel mogelijk licht binnen te laten dus. Een huis dat ik zo weinig mogelijk verlaat ook. Mijn definitie van vakantie is niet ‘allerlei leuke dingen gaan doen’. Vakantie, dat is genieten van het feit dat ik niet buiten moet komen, geen mensen hoef te zien. Dàt is pas genieten in Ninaville.
Ben ik écht (licht, of misschien net behoorlijk) autistisch of hoogsensitief? Ben ik wat achterop geraakt in de ziektemode en is het nog iets anders waarvan ik het bestaan nog niet ken? Ligt de oorzaak bij het feit dat ik enig kind ben? Heb ik helemaal niets en ben ik gewoon zo, hoe afwijkend mijn gedrag ook is/lijkt zoals het hier nu zo kort mogelijk samengevat en dus misschien niet genoeg genuanceerd staat? Ik heb niet het flauwste idee. Het enige wat ik weet, is dat ik sinds een dikke week helemaal anders naar mezelf kijk – een mens moet zichzelf nu eenmaal regelmatig opnieuw uitvinden – en dat ik met mijn nieuwe inzichten toch weer net iets beter weet in welke richting ik mijn leven verder wil en zelfs moet omgooien. Het is toch al dat, nietwaar.
Als u mij nu alstublieft wil excuseren, ik zou graag even alleen zijn.

78385522

Twee gedaanteverwisselingen op één week tijd, het toont wat aan, me dunkt. Nina is namelijk extreem zoekende nowadays. Surprise, surprise. Wat wel verrassend is aan dit zoekend zijn, is dat het zich zo anders voordoet dan alle andere keren. Het gaat dieper, alsof ik me op een ander niveau van bewustzijn bevind. Ik zoek anders dan anders. Naar andere dingen dan anders.
In de auto, bijvoorbeeld, naar de juiste muziek. Want muziek is alleen juist als ze bij je humeur past, en ik ondervind heel wat moeilijkheden om het muzikale af te stemmen op het mentale lately. Het hartverscheurende genre is me dezer dagen wat te triestig, de stomend hete r&b-beats krijgen me niet in een sexy mood.
In de kleerkast, bijvoorbeeld, op zoek naar de juiste outfit. Want je hebt pas de juiste outfit aan als die bij je humeur past, en ik ondervind heel wat moeilijkheden om het vestimentaire af te stemmen op het mentale lately. De zomerse meerderheid is – volgens ‘de mensen’ althans – wat te bloot voor dit weer, de winterse minderheid is ronduit saai en truttig. En jammer genoeg niet truttig als in primbo, want dan zou ik hot zijn dit seizoen.
Het lijkt me gewoon allemaal zo grijs, nu ik het eens goed bekijk. Zo basic. En Nina mag dan al haar hele leven een kleurloze no-nonsense figuur geweest zijn, ik wil hoe langer hoe meer gillend wegrennen van dat inspiratieloze bestaan. Ik wil kleuren. In mijn huis, op mijn foto’s, in mijn garderobe, in mijn leven. Vlammende kleuren. Wanna set the world on fire.
En daarom staak ik die andere zoektocht even. Die naar werk. Want als ik binnen mijn grijze, semi-administratieve hokje op zoek ga naar een soortgelijke job, zal ik geen kleuren vinden. Just another shade of grey. Het voelt aan als kiezen tussen de pest en de cholera. I want neither, obviously.
Ik wil creativiteit, vrijheid, uitdaging, zelfstandigheid. Mijn hele hebben en houden achterlaten en ergens in New York een crappy appartement delen met twee freaks, om de maand van job wisselen en met de vreemdste mensen terechtkomen op de vreemdste plaatsen. Mijn job opgeven, just like that, en zien waar het me brengt. Me gewoon laten meedrijven op een stroom van gevoelens, mijn intuïtie volgen en weten dat het goedkomt, either way. Me losmaken van alles waaraan ik met handen en voeten gebonden ben. Ik wil vandaag niet weten wat morgen brengt. Wanna take the plunge, knowing that the sky’s the limit.
We vertoeven dus nog altijd in onze weird place, met zijn tweeën. Controlefreak slash chicken shit Nina en dappere, onbezonnen Nina. Bij momenten in een rotvaart de dieperik ingezogen door het loodzware besef dat ik te bang ben om zo’n ingrijpende risico’s te nemen. Bang om alle (financiële) zekerheden die ik, zorgvuldig gepland en uitgestippeld, tot hiertoe opgebouwd heb, diezelfde dieperik in te keilen en er gewoon voor te gaan, voor die boeiendere versie van mijn grijze bestaan. Skyhigh de hoogte in gekatapulteerd op andere momenten, voortgedreven door een onstuitbare energie waarmee ik bergen verzet, gewoon door te denken hoe het zou kunnen zijn in een fluoroze-met-zilveren bestaan.
Ze vechten hele oorlogen uit, die twee Nina’s. Ze leven parallel naast elkaar, dan weer staan ze met getrokken messen tegenover elkaar om wat later in mekaar over te vloeien. En ze trékken. Ze trekken zo hard. God, wat trékken ze hard. Naar zo’n twee compleet verschillende richtingen, de ene omlaag, de andere omhoog, dat ik het soms fysiek voel, in mijn maag. Manic depression meets schizophrenia.
Die muziek, die vind ik wel weer. Die flashy garderobe, dat is slechts een kwestie van een nier te verkopen om vervolgens zwaar te investeren in een paar de la Renta’s en Prada’s. Maar de exacte plaats waar ik moet gaan staan om de sprong te wagen, die weet mijn inwendige gps met geen mogelijkheid te vinden. Damn you, ontbrekende oriëntatiehersencel.