
Aangezien ik niet veel anders kan dan tv kijken, lezen en laptoppen, ben ik eindelijk begonnen in het boek over hoog sensitieve personen. Kritisch als ik ben, blijf ik altijd wat op mijn hoede met psychologische testen en omschrijvingen, want ik ben van mening dat, als je je ergens in wil vinden, dat altijd wel op één of andere manier lukt. Ieder van ons is complex genoeg om zichzelf in bijna elke karaktertrek wel een beetje te herkennen. Of ik effectief een HSP ben, is allesbehalve zeker, ik zal evengoed in mindere of meerdere mate aan andere karakteristieken en ziektebeelden voldoen, en ik heb hierover geen arts of psycholoog geraadpleegd, en misschien is het ook niet zo belangrijk. Wat voor mij veel belangrijker is, is dat het boek, terwijl ik nog maar halfweg ben, zijn belofte al nakomt: het plaatst je hele leven in een nieuw kader, het doet je anders naar jezelf kijken dan je tot nog toe deed. Mijn hele leven is in de laatste uren helemaal aan mij voorbijgegaan en het trefwoord dat overduidelijk primeerde was angst. Niet dat dat een nieuw gegeven is, verre van, maar ik denk anders over mezelf en mijn leven dan toen ik vanochtend, en alle andere ochtenden in mijn leven, opstond. Uitgaande van de kenmerken van HSP’s, die overweldigd worden door alle prikkels die het dagelijkse leven inhoudt – geluiden, licht, mensen, geuren, beweging, stilte, nieuwe dingen, communicatie, niet-communicatie,… – is de wereld één grote, gevaarlijke dreiging.
En dat is de wereld inderdaad al altijd geweest voor mij, besefte ik toen ik blad na blad verder las. Ik zag mezelf weer als kleine uk, met mijn eerste rode boekentasje met een Vitabis – bestaat dat nog? – in, helemaal niet klaar om na twee jaar als enig kind in een veilig nest te hebben doorgebracht ineens te worden geconfronteerd met andere levende wezens. Hoewel dat veilig ook met een korrel zout te nemen is, aangezien mijn moeder er niet veel beter aan toe was als ik, en ik er stellig van overtuigd ben dat haar depressies, stress en bijhorende zenuwachtige, strenge en humeurige gedrag van weleer een heel zware impact op mij hebben gehad, want kinderen pikken zoveel meer op dan volwassenen in eerste instantie denken. Ik zag het niet alleen, ik voelde het ook weer, dat angstige, ontredderde gevoel. Ik zag mezelf weer stilletjes in een hoekje op de speelplaats staan, want al dat geloop en gegil van de andere kinderen was me wat teveel, en al die acrobatische kunstjes en voetballen waren me te gevaarlijk. Ik zag mezelf weer elke ochtend in tranen en met verschrikkelijke buikpijn op de schoolbus stappen, elke keer weer hopend dat mijn meter, die me voor en na school opving, die dag ging zeggen dat ik niet meer hoefde te gaan. Dat ik thuis in de zandbak mocht blijven spelen, en met de dieren, want daar hield ik wel van, van dieren, veel meer als van mensen. Of dat ik, eens ik over die vaardigheid beschikte, de hele dag mocht lezen, want dat was mijn liefste hobby. Ik zag mezelf weer ziek elk jaar in september, elk jaar met de kermis, en elk jaar bij het begin van de vakantie, want die veranderingen in mijn omgeving deden me geen goed. Het was allemaal gewoon té voor mij, zelfs de leuke dingen. Ze brachten me van streek, ook al had ik naar iets uitgekeken, want het was niet wat ik gewend was. Ik zag mezelf weer in angst voor de andere kinderen, de lessen, de leerkrachten en hun eventuele vragen, hoewel ik elk jaar bij de besten van de klas was. Ik zag mezelf weer als tiener, zelfs dan nog lijdend onder diezelfde angsten, en hoe die angsten dagelijks zelfs lichamelijk tot uiting kwamen. Ik zag mezelf weer de vele onderzoeken ondergaan bij dokters en in ziekenhuizen, wanhopig op zoek naar een aanwijsbare oorzaak van al dat lichamelijke leed.
Ik zag het allemaal terug en kreeg ineens ontzettend veel medelijden met dat kleine meisje. Of ik door alles vroeger – en nu eigenlijk nog altijd – zo overweldigd werd door het feit dat ik een HSP ben, of dat de oorzaak helemaal ergens anders ligt, maakt niet zoveel uit. Het feit blijft dat, zonder het al teveel te willen dramatiseren, iederéén van ons heeft moeilijkheden, het geen wonder is dat ik geworden ben wie ik ben, als ik in beschouwing neem hoe verschrikkelijk ik de wereld al ervaarde als peuter, en dat zo is blijven voortduren. Het mag eerder een wonder heten dat ik nu leef zoals ik leef. Stel je voor dat elk kindje dat komt vragen om te spelen, elke juf die je vraagt hoeveel 2+2 is, elke tante die je vraagt hoe het op school was, zodanig als bedreigend wordt ervaren dat je kleine lijfje – in mijn geval meer bepaald het spijsverteringsstelsel – er op reageerde, hoeveel en hoe lang zou je zoiets kunnen dragen – en het kunnen plaatsen, want als vierjarige had ik toch net iets minder inzicht als nu – zonder niet een beetje tot waanzin gedreven te worden, zonder aan de rand van complete uitputting te staan, zonder daar blijvende gevolgen van te dragen?
Mijn angstige reactie op zich kan als flauw gezien worden en ik ben de eerste om dat zelf toe te geven – uiteindelijk heb ik nooit echte rampen meegemaakt; ik ben nooit in een allesverwoestende orkaan beland of niemand heeft mij ooit willen vermoorden – maar misschien moet ik mezelf over all toch niet langer blijven zien als een loser, een zwakkeling. Misschien ben ik net sterk, want of die angsten voor alles wat maar bewoog nu een reëel gevaar inhielden of niet, voor mij waren ze levensecht, en moest ik er dag in dag uit mee omgaan. En, in alle bescheidenheid, ik doe het toch maar, want hoe anders ik ook ben, hoe anders ik ook reageer op de dingen, hoeveel gevaarlijker gewoonweg leven ook is in mijn hoofd, ik leef mijn leven zoals de anderen, zoals de maatschappij van mij verwacht. Ik trotseer de al dan niet ingebeelde gevaren elke dag om te gaan werken zoals iedereen, ik ga relaties aan, ik run een huishouden. Ondanks alles doe ik netjes wat de kudde tweepoters van mij verwacht dat ik doe.
Wat me op zijn beurt dan weer misschien ongelooflijk dom maakt. Want voor wíe doe ik al die dingen eigenlijk om aan het ideaalbeeld te voldoen? Wie heeft er baat bij dat ik alles zo mooi volgens de opgelegde regeltjes en volgorde doe terwijl het zo hard tegen mijn natuur indruist? Wat als ik mezelf nu gelukkiger zou maken door ergens op een berg te gaan wonen, ver weg van de bewoonde wereld en alleen omringd door dieren, hele dagen tekenend of whatever, net genoeg om in de basisbehoeften te kunnen voorzien? Zou daar iemand op deze planeet – buiten de regering, die in dat geval niet langer de helft van mijn loon kan aanslaan – slechter van worden? I think not. Heb ik de guts om de maatschappij de rug toe te keren en mijn hart te volgen? I think not. Een beetje chicken shit, weet je wel.
Maar ik leer bij. Een paar weekends geleden zag ik – op het werk, of all places – bijna het licht. Het drong ineens tot me door dat er van al mijn angsten nog maar weinigen werkelijkheid waren geworden, en plots vroeg ik me af waar het dan allemaal goed voor geweest is, al dat sidderen en beven. Ik besloot het ter stond blauw en groen op wit te zetten, alsof ik een brief naar mijn pasgeboren zelf schreef, in de hoop het nooit meer te vergeten. En dus schreef ik het volgende naar baby Nina:
Little girl,
* you’ll think you’ll faint 24/7 for many years, but you’ll only do so a few times, and it’s not that scary
* you’ll hate your job, but you’ll find another one
* you’ll get on many planes, but you will never crash
* your heart will act up a whole lot of times, but it will never stop beating
* you’ll think you’re gonna die eating or drinking, but you’ll never do
* you’ll lose some friends, but you’ll find new ones
* your heart will be broken when you’re 17 and 29, but it will get fixed
* you’ll have a lot of doubts, but you’ll let go of them along the way
* you’ll look death into the eyes several times but you’ll walk away from it
* you’ll be scared of water, but you’ll learn how to swim
* you’ll wish you were somewhere else, but you’ll discover there’s no place like home
don’t be afraid
Mijn eerste dertig levensjaren krijg ik nooit meer terug, maar soms, heel soms, heb ik goede hoop voor de volgende dertig jaar, en dat die heel wat zorgelozer en dichter bij mezelf zullen verlopen. Kon ik die brief van mijn zestigjare zelf aan mijn dertigjarige zelf maar ergens vinden.