Categorie Archieven: Nightlife

nsk105792

Griezelverhalen, het leeft wel bij de mensen. Zombies die omver gereden worden, Jan Becaus die Engels praat, voor elk wat wils. Bij het lezen van al dat schrikwekkends, moest ik onwillekeurig weer terugdenken aan die ene bange nacht. Doof de lichten, zorg dat je alleen bent en sidder en beef.
We schrijven juni 1998, het moment van afstuderen van Sam, mijn ex. Wie afstuderen zegt, zegt dikke party, en die hadden we net achter de rug. Het was een warme, heldere nacht, en het briesje dat door het autoraam naar binnen kwam terwijl we over de steenweg reden die het woud op weg naar zijn huis doormidden sneed, deed deugd na uren te hebben doorgebracht in een benauwde zaal vol bezwete feestvogels. Nog wat uitgelaten van de voorbije avond hadden we eerst niet in de gaten dat er op de verder verlaten baan een auto verdacht dicht achter ons aan bleef rijden, tot hij onder luid geclaxonneer met zijn lichten begon te knipperen. Na een snelle check in de achteruitkijkspiegel om te kijken of het misschien iemand was die we kenden, haalden we de schouders op en reden rustig verder. Als het al een bekende was, konden we dat zo toch niet zien op de slecht verlichte weg en de felle schijn van de koplampen in de spiegel. Het was vast iemand die niet veel nuchterder was al wijzelf en gewoon wat amok wilden maken zonder erg. Toen de onbekende achtervolger ineens een wild inhaalmanoeuvre maakte om vlak voor ons bruusk te vertragen en aan een slakkengangetje verder te rijden, leek het ons al iets minder zonder erg. We overwogen even om ons aan de kant te zetten en te wachten tot hij uit het zicht was, maar besloten om toch maar gewoon door te rijden en hielden het bij wat gefoeter.
Amper uitgefoeterd, zagen we in de verte een snelheidsduivel naderen. Waar hij in eerste instantie aanstalten maakte om ons voorbij te steken, bedacht hij zich op het laatste moment en bleef aan onze bumper kleven, met diezelfde verblindende knipperlichten die we net ervoor al te verwerken kregen van diegene die ons nu tegenhield om aan een normale snelheid verder te rijden. We hadden geen idee wat dit moest voorstellen. Sam mocht dan wel een rijkeluiszoontje zijn dat op zijn achttiende verjaardag netjes zijn eerste wagen afgeleverd kreeg, het ding was niet van die aard dat een paar onverlaten ons ervoor zou insluiten en carjacken, ook al leek het er op dat moment sterk op.
Na enkele ongeruste, ingesloten minuten, zagen we onze voorganger ineens optrekken en aan hoge snelheid verdwijnen in de donkere nacht. Opgelucht dat we nu nog maar één bumperklever hadden, vervolgden we onze weg. Wisten wij veel dat het akeligste nog moest komen. Rijke mensen hebben de neiging om in bosrijk gebied te wonen, zo ook de ouders van Sam, die toen nog thuis woonde. Hun huis lag aan de rand van een bos op het einde van een lange dreef waar maar vijf huizen staan wiens tuinen en weiden elk evenveel meters innemen als mijn gehele huidige straat. Mijn standaarden zijn met de jaren wat gezakt, ja. Het zijn niet eens tuinen, maar heuse domeinen, en de dichtstbijzijnde buur kreeg meer bezoek van mensen die even met hun helicopter binnenwipten dan van mensen die – hoe komen ze erbij – met de wagen langskwamen. Ondanks het feit dat het één en al rich and famous was in die dreef die omzoomd werd door bomen, lag het wegdek, meer putten dan deftig asfalt, allesbehalve waterpas en was er geen verlichting whatsoever. Je wil niet weten wat voor doodsangsten ik uitstond de keren dat ik die weg ’s nachts met mijn brommer moest afleggen.
Bijna aan die donkere dreef aangekomen, zagen we in de verte op de hoek ernaartoe een auto langs de kant staan. Veel tijd hadden we niet nodig om te beseffen dat het dezelfde was als diegene die voor ons had gereden. “Fuck, wat zijn die twee toch van plan?” vroeg Sam terwijl hij een versnelling hoger schakelde om in een rotvaart de doodlopende dreef in te draaien, terwijl de bestuurder van de andere wagen weer met zijn lichten begon te knipperen en de achtervolging inzette.
Als op safari hotste en botste onze auto over het hobbelige wegdek en in recordtempo bereikten we zijn huis. Een tweede kenmerk van bewoners van villa’s met halve dorpen als tuin, is dat ze hun landgoed omheinen en aan het einde van hun ellenlange oprit een automatisch hek installeren. Een hek dat tergend langzaam openging. We keken de donkere dreef in en zagen de lichten van de eerste auto afwisselend opduiken en weer verdwijnen, afhankelijk van de put of de berg waar hij in of op reed op dat moment. Honderden gedachten schoten door mijn hoofd. Als de poort niet op tijd openging, zaten we als ratten in de val, geklemd tussen een hoop traag metaal en onze belagers. Ging ze niet op tijd dicht, konden onze achtervolgers mee binnenglippen, een optie die niet veel aangenamer was dan de eerste.
De poort, die het wanneer het sneeuwde al eens liet afweten waardoor we meer dan eens over de omheining moesten klauteren en de auto achterlaten, deed op deze warme nacht gelukkig exact wat ze moest doen. Vanaf het moment dat ze ver genoeg open was, reden we erlangs, om haar met de afstandsbediening weer net op tijd te sluiten. Tegen de tijd dat we onze auto geparkeerd hadden en het grasveld overstaken om binnen te gaan, waren de niet zo nobele onbekenden ook aan de poort aangekomen en uitgestapt om ons luidkeels allerlei onverstaanbaars toe te roepen. Gezien de niet zo waterdichte omheining en het feit dat ze wel heel volhardend waren in de boosheid, besloten we meteen de politie te bellen. After all, als er één plaats was waar er fortuinen te rapen waren, was het hier wel, en wij hadden ze zo maar eventjes naar deze verborgen schat in de bossen geleid.
Ze zouden een patrouille sturen, luidde het antwoord van onze blauwe vrienden. Wachtend op hun komst keken we stiekem vanuit een donkere kamer toe hoe de bijna betrapten nog wat keet schopten, maar vooralsnog geen aanstalten maakten om over de omheining te klimmen. Toen er na drie kwartier nog geen spoor te bekennen was van de beloofde patrouille, pleegden we een tweede telefoontje, maar toen die uiteindelijk toch opdaagde, waren de vogels al gevlogen en konden ze niet veel meer doen.
Niet helemaal gerustgesteld vielen we niet veel later in slaap. Om de volgende ochtend gewekt te worden door twee telefoontjes. Van twee vrienden die op weg naar huis van het feest respectievelijk voor en achter ons hadden gereden maar die we niet herkend hadden, zelfs niet toen ze ons, dronken als ze waren, tot thuis gevolgd waren en op onze oprit hadden staan roepen. Right.

Ik ben hier druk mee bezig nowadays. Gemakkelijk azo, dan moet ik het zelf niet meer uitleggen. Dat karton gratis proefwijn in de Colruyt ter voorbereiding - ge kunt niet zeker genoeg zijn van wat ge uw gasten gaat aanbieden, dat we die wijn helemaal niet kochten is maar bijzaak - ledigen terwijl we de kar volpropten was wel fun. Dat we van de winkeljuffrouw niet verder mochten gaan met de fotoshoot daaromtrent vond ik maar flauw. Awoert voor de Colruyt-policy zene.

Wel verhip, ik heb vannacht een Antwerpenaar leren kennen die actually meevalt. Mijn vooroordelen over die van ‘t Stad heeft hij eerder bevestigd dan ontkracht, maar het is zo’n exemplaar waarvan een mens dat wel kan verdragen. Hij ging mij hier wel vinden via Blondine, zei hij, dus bij deze: welcome, Antwerp. Tot over twee weken, mét beloning.

patc1

Jaja. Het was al de moeite, dag één. Het persoonlijke record ‘met behulp van alcohol zo snel mogelijk op een andere planeet vertoeven’ verbroken enzo. Ontdekt wat ik eigenlijk al wist ook, namelijk dat pumps geen goed idee zijn voor dat soort gelegenheden, en de tent dan maar op blote voeten gesloten. Een trutje van straat geplukt om met Carter op de foto te gaan, just for the fun of it. Het kind is er waarschijnlijk nog niet goed van. Handtastelijk geworden met Blondine. Beflirt geweest door iemand die geheel onverwacht na jaren nog eens een kans waagde. Mission not accomplished, maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat hem dat vanavond niet gaat tegenhouden om nog eens te proberen. Een semi-spiritueel gesprek gevoerd. Denk ik. Niet gelet op de rommel in Carters huis. Oude bekenden tegengekomen. Beseft dat ik mij niet aan mijn voornemen heb gehouden om het op dag één kalm aan te doen om op dag twee alles te kunnen geven. Er nog vrij goed vanaf gekomen, alles in beschouwing genomen. Allee hup, op naar dag twee.

Moet ik nog opruimen, vroeg hij. Ik heb gezegd dat dat niet nodig was, ik denk dat er wel betere dingen zullen zijn om naar te kijken als zijn rommel. Ha!

Alarmerende vaststelling: al twee dagen na elkaar een wel vérrry bad hairday, en dat terwijl het morgen Marktrock is. Turn the tide Sylver, turn the tide. De rest van de look as stunning as you possibly can-voorbereidingen verlopen gelukkig wél naar wens. Men weet immers nooit wie men op zo’n gelegenheden tegen het lijf loopt. Jawel, eigenlijk wel. Carter, die onder zijn palmboom uitgekomen is en maar twee sms’en nodig had om van ‘Dan ontsnap ik uit de stad als dat dit weekend is hoor’ naar ‘Ok, ik laat iets weten wanneer ik er ben’.
Of zoals ik eerder deze week tegen Blondine orakelde: weet ge, over tien jaar ben ik veertig, dan graak ik niet meer weg met zo’n stoten, dus ik kan er nu maar zo hard mogelijk van profiteren. Right?

Wel wel wel, net als ik aan het bestaan van Doctor Carter herinnerd word doordat hij foto’s op zijn Facebook geplaatst heeft en ik besluit dat het maar een saaie kerel is, spreekt hij me aan. Zijn plan om vroeg naar bed te gaan werd daarmee vlotjes van tafel geveegd. Dan hield hij zich liever bezig met eerst opnieuw de ongenaakbare te spelen, waarna hij me meermaals uitnodigde voor een film en ongevraagd zijn telefoonnummer mijn richting uit gooide. Beetje een herhaling van vorige keer, dat hard to get spelen en wanneer blijkt dat ik net iets harder ben, voor de softere aanpak gaan. Other than that blijkt hij toch ongeveer even interessant te zijn als ik me die nacht eventueel had ingebeeld. Single sinds kort bovendien.
Ik wist dat ik zaterdagnacht nog wat moest vrijhouden. Dat zesde zintuig van mij, dat is onfeilbaar. Mijn gave om mezelf in nesten te werken waarschijnlijk ook.

88515588

Een paar dagen geleden had iemand het over De Eerste Kus. Tot mijn grote ontsteltenis was het even graven in het geheugen, maar eens ik hem teruggevonden had, wist ik ook meteen waarom het zo’n graven was. De leeftijd was niet de oorzaak van de langer dan verwachte zoektocht naar deze mijlpaal in het bestaan van elke tiener, laat dat duidelijk zijn. Het lag ‘em in het grasduinen in de clichéplaatsen. Tussen de herinneringen aan fuiven in Parochiezaal Onder den Toren of op de tot openluchtfuifdecor omgetoverde wei van boer Charel in de tijd dat het woord pogo nog bestond, zou ik hem immers nooit gevonden hebben. Evenmin in de talrijke café’s die mijn stad rijk is en waar ik menig nacht sleet. Ook de discotheken van bedenkelijk allure waar Bonzai elk weekend opnieuw door de boxen schalde – als plant had ik een beste vriendin die Marina was, want een open geest beleeft meer, beweert een krant, en zo had ik het beste van beide werelden - was niet de juiste plaats om te gaan zoeken. Wegens een aangeboren afkeer van scouts, chiro’s en kampen, kon ik ook die regionen van de zoeklijst schrappen.
Uiteindelijk vond ik hem op een plaats waarvan ik bij het opdoemen van de lang vervlogen herinnering meteen dacht dat ik het had kunnen en moeten weten. Het heuglijke feit speelde zich immers niet zoals men zou kunnen verwachten af tijdens een donkere nacht die gemarkeerd werd door muziek die nu zo fout is dat er hele party’s rond dat thema georganiseerd worden, maar op klaarlichte dag. Niet op een vloer waar je ofwel aan blijft kleven ofwel bijna tegen de vlakte gaat na het strompelen over het zoveelste gesneuvelde glas bier, noch in één of ander – in koor: wat ruist er door het – struikgewas dat het parochiale etablissement veelal omringde en waarvan door velen dankbaar gebruikt werd gemaakt. Wel tussen de kledingrekken in de winkel van een oudere – waarom liet ze zich eigenlijk in met zo’n snotneuzen als ons? – vriendin. Natuurlijk. Dat ik mezelf niet beter kende dan dat zeg, tsss.
En u, ook outside the box gedacht bij het bepalen van uw eerste-kus-locatie?   

noah-wyle-20070131-205048

Let me tell you a little story about last nite. It was a great nite. And a surprising one too, met dank aan Kleine – mijn grootste, drie heel intense maanden durende fout voor mijn relatie, of het voor mezelf een fout was, laat ik in het midden - die ik niet meer gezien had sinds Marktrock vorig jaar, wist hij zich nog haarscherp te herinneren. Hij is dan ook bijna vijf jaar jonger, dus zijn geheugen staat nog scherper dan het mijne. Hij was al bijna een jaar gelukkig met zijn vriendin, praatte hij me bij. Welgeteld vijf minuten is hij gelukkig geweest, en toen kwam de waarheid naar boven. Dat ze de laatste tijd toch wel meer ruzie maakten. Ik plaatste het in perspectief door hem erop te wijzen dat de periode en situatie waarin ze zaten die hij me net uit de doeken had gedaan, bij veel koppels voor wat spanningen zorgden, en dat het daarna wel weer zou loslopen. Zichtbaar opgelucht reageerde hij dat hij alleen met mij zo goed kon praten, zo rechtuit kon zeggen wat hij écht voelde. “Maar ja, als je het zo stelt heb je wel gelijk”, gaf hij toe, “ik ben echt wel gelukkig met haar.” Hij keek me even aan alvorens iets te zeggen wat me weer deed beseffen hoe diep alles ooit heeft gezeten, en dat die ooit minder lang geleden blijkt dan ik dacht. “Als er op de hele wereld ook maar één iemand is die me zo gelukkig kan maken als jij zou gekund hebben, is zij het wel”, gooide hij me in het gezicht. “Aha,” deed ik luchtig om het allemaal niet te zwaar te maken, “dan is mijn gelijke opgestaan, maar ik heb dan toch lang standgehouden.” Hij lachte even voor me opnieuw van mijn – ingebeelde, want in pumps staat dat niet bijster sexy – sokken te blazen. “We hadden gewoon moeten trouwen, zes jaar geleden, ik was er echt klaar voor.” Come again? Hij had me toenertijd gelijkaardige dingen verteld, over hoe hij zijn onvervalste playerlife wou opgeven, hoe hij alles wou opgeven, om zich definitief met mij te settelen. Over hoe speciaal ik was voor hem, en hoe hij me nooit zou vergeten. Gezien ik vijf jaar ouder en evenveel ervaring meer en naïviteit minder had, heb ik hem meermaals gezegd dat ik zo’n dingen niet wou horen. Je vergeet iedereen na verloop van tijd, hoe speciaal hij of zij ook ooit geweest mag zijn, is mijn nuchtere kijk op de zaken. Die liefde van je leven die altijd een speciale plek in je hart zou hebben is snel vergeten eens de nieuwe liefde van je leven zijn intrede maakt. Besides, hij was negentien op het moment dat hij zulke zware uitspraken deed. No way in hell dat ik zoiets serieus kon nemen. Maar nu, zes jaar later, blijkt dat hij nog steeds staat achter wat hij toen tijdens al dan niet zwaar beschonken nachten tegen me zei. Zes jaar later kan hij nog steeds feilloos mijn nummer opzeggen, zes jaar later suggereert hij nog steeds dat hij geen nee zou zeggen tegen mij. Zes jaar later is hij nog steeds van mening dat, als hij op voorhand had geweten wat hij zou moeten afgeven, het misschien beter niet gehad had, ook al is hij blij met wat hij, of beter wij, gehad hebben, en dat kan niemand hem ooit afpakken. Zeggen dat ik somewhat impressed was toen we even later afscheid namen met de belofte mekaar te smsen op Rock Werchter, ook al zou zijn vriendin er dan tot zijn spijt bij zijn, zou een understatement zijn.
Maar daar kwam al afleiding in de vorm van een vriend van Eva, zijn zus – al heel ver in de dertig maar nog steeds notoir feestbeest waar zelfs late twintigers niet aan kunnen tippen - die van plan was het feesten niet op te geven tot vlak voor het moment dat ze op het laatste nippertje het stemhokje zou binnenzwalpen. Dit land gaat naar de verdoemenis als ze die verkiezingen nog lang op een zondag plannen, ik zeg het je. But who cares als er naast je iets staat zoals dat wat vannacht naast mij stond. Ladies, picture this: een frisse, stoute kopie van niemand minder dan de waarschijnlijk al lang vergeten Dr. John Carter – enkele jaren geleden in de top 50 van mooiste mensen ter wereld van People Magazine – uit E.R. I know, I know, McDreamy is momenteel the hottest doctor in town, maar als je Dr. Carter voor je hebt, is die snel vergeten. Zeker als hij na een paar keer oogcontact en een paar woorden hard to get probeert te spelen door zichzelf als asociaal te omschrijven. Which suits me just fine, ik was dan ook de eerste om voor te stellen om mekaar dan maar verder te negeren. Wat ik even later ook effectief deed door Maylen en zijn gezelschap te vervoegen. Voor mij was de kous af, op dat punt had hij zijn Cartermagic immers nog niet op me losgelaten en stond ik er ook niet bepaald voor open. Voor Eva was de kous een verdacht lange sanitaire stop later echter nog verre van af. “Zég!” bralde ze ineens in mijn oor, “kom terug mee naar achteren, ik kan hier niet blijven staan, ik kan je nu niet vertellen waarom, maar kom gewoon mee terug.” Ik had er niet veel tegen in te brengen, dat heb je nooit tegen een Eva wanneer er in haar aders meer alcohol dan bloed stroomt, evenmin tegen het glas Chardonnay dat ze me al snel in de handen duwde.
Carter had bij het weerzien blijkbaar genoeg van onze niet-communicatie, en toonde dat niet alleen op een verbale manier. “Het is echt een schatje, en heel voorzichtig ook,” lispelde Eva slinks in mijn oor. “What the fuck, voorzichtig, what does that even mean?? En trouwens, hoe weet jij dat, heb jij hem al gehad ofzo?” vroeg ik, waarop ze heftig nee schudde. “Gosh, jij hebt hem dus al gehad, je schuift me gewoon je afdankertjes door!” riep ik verontwaardigd. “Néé echt niet,” hield ze voet bij stuk. Als het niet zo onbeleefd zou staan, ik had het meteen aan hem zelf gevraagd of zij al de eer had gehad de lakens met hem te delen. Iets wat ik – damn you, maandelijkse technische werkloosheid – overigens niet gedaan heb. Voor het te ver in die richting ging, besloot ik er op het meest onverwachte moment geheel mysterieus – ik ging de reden echt niet aan zijn neus hangen - en nog harder to get dan wat hij eerst poogde, vandoor te gaan, met de melding dat ik, als we elkaar ooit nog eens tegen het lekkere lijf zouden lopen, wel verwachtte dat de eer van een onvergetelijke nacht me dan wel te beurt zou vallen ten afscheid. He didn’t say no, I can tell you that. We even shook hands on it, as if we had a secret homies pact, waarna hij me als een volleerd gentleman een zedige kus op de wang gaf. Die dokters, dat is een welopgevoed ras.

En als een mens dan toch nog eens zin heeft om er een lap op te geven tijdens één van de weinige vrije weekends, komt er niemand buiten…..Grrr!!