
Griezelverhalen, het leeft wel bij de mensen. Zombies die omver gereden worden, Jan Becaus die Engels praat, voor elk wat wils. Bij het lezen van al dat schrikwekkends, moest ik onwillekeurig weer terugdenken aan die ene bange nacht. Doof de lichten, zorg dat je alleen bent en sidder en beef.
We schrijven juni 1998, het moment van afstuderen van Sam, mijn ex. Wie afstuderen zegt, zegt dikke party, en die hadden we net achter de rug. Het was een warme, heldere nacht, en het briesje dat door het autoraam naar binnen kwam terwijl we over de steenweg reden die het woud op weg naar zijn huis doormidden sneed, deed deugd na uren te hebben doorgebracht in een benauwde zaal vol bezwete feestvogels. Nog wat uitgelaten van de voorbije avond hadden we eerst niet in de gaten dat er op de verder verlaten baan een auto verdacht dicht achter ons aan bleef rijden, tot hij onder luid geclaxonneer met zijn lichten begon te knipperen. Na een snelle check in de achteruitkijkspiegel om te kijken of het misschien iemand was die we kenden, haalden we de schouders op en reden rustig verder. Als het al een bekende was, konden we dat zo toch niet zien op de slecht verlichte weg en de felle schijn van de koplampen in de spiegel. Het was vast iemand die niet veel nuchterder was al wijzelf en gewoon wat amok wilden maken zonder erg. Toen de onbekende achtervolger ineens een wild inhaalmanoeuvre maakte om vlak voor ons bruusk te vertragen en aan een slakkengangetje verder te rijden, leek het ons al iets minder zonder erg. We overwogen even om ons aan de kant te zetten en te wachten tot hij uit het zicht was, maar besloten om toch maar gewoon door te rijden en hielden het bij wat gefoeter.
Amper uitgefoeterd, zagen we in de verte een snelheidsduivel naderen. Waar hij in eerste instantie aanstalten maakte om ons voorbij te steken, bedacht hij zich op het laatste moment en bleef aan onze bumper kleven, met diezelfde verblindende knipperlichten die we net ervoor al te verwerken kregen van diegene die ons nu tegenhield om aan een normale snelheid verder te rijden. We hadden geen idee wat dit moest voorstellen. Sam mocht dan wel een rijkeluiszoontje zijn dat op zijn achttiende verjaardag netjes zijn eerste wagen afgeleverd kreeg, het ding was niet van die aard dat een paar onverlaten ons ervoor zou insluiten en carjacken, ook al leek het er op dat moment sterk op.
Na enkele ongeruste, ingesloten minuten, zagen we onze voorganger ineens optrekken en aan hoge snelheid verdwijnen in de donkere nacht. Opgelucht dat we nu nog maar één bumperklever hadden, vervolgden we onze weg. Wisten wij veel dat het akeligste nog moest komen. Rijke mensen hebben de neiging om in bosrijk gebied te wonen, zo ook de ouders van Sam, die toen nog thuis woonde. Hun huis lag aan de rand van een bos op het einde van een lange dreef waar maar vijf huizen staan wiens tuinen en weiden elk evenveel meters innemen als mijn gehele huidige straat. Mijn standaarden zijn met de jaren wat gezakt, ja. Het zijn niet eens tuinen, maar heuse domeinen, en de dichtstbijzijnde buur kreeg meer bezoek van mensen die even met hun helicopter binnenwipten dan van mensen die – hoe komen ze erbij – met de wagen langskwamen. Ondanks het feit dat het één en al rich and famous was in die dreef die omzoomd werd door bomen, lag het wegdek, meer putten dan deftig asfalt, allesbehalve waterpas en was er geen verlichting whatsoever. Je wil niet weten wat voor doodsangsten ik uitstond de keren dat ik die weg ’s nachts met mijn brommer moest afleggen.
Bijna aan die donkere dreef aangekomen, zagen we in de verte op de hoek ernaartoe een auto langs de kant staan. Veel tijd hadden we niet nodig om te beseffen dat het dezelfde was als diegene die voor ons had gereden. “Fuck, wat zijn die twee toch van plan?” vroeg Sam terwijl hij een versnelling hoger schakelde om in een rotvaart de doodlopende dreef in te draaien, terwijl de bestuurder van de andere wagen weer met zijn lichten begon te knipperen en de achtervolging inzette.
Als op safari hotste en botste onze auto over het hobbelige wegdek en in recordtempo bereikten we zijn huis. Een tweede kenmerk van bewoners van villa’s met halve dorpen als tuin, is dat ze hun landgoed omheinen en aan het einde van hun ellenlange oprit een automatisch hek installeren. Een hek dat tergend langzaam openging. We keken de donkere dreef in en zagen de lichten van de eerste auto afwisselend opduiken en weer verdwijnen, afhankelijk van de put of de berg waar hij in of op reed op dat moment. Honderden gedachten schoten door mijn hoofd. Als de poort niet op tijd openging, zaten we als ratten in de val, geklemd tussen een hoop traag metaal en onze belagers. Ging ze niet op tijd dicht, konden onze achtervolgers mee binnenglippen, een optie die niet veel aangenamer was dan de eerste.
De poort, die het wanneer het sneeuwde al eens liet afweten waardoor we meer dan eens over de omheining moesten klauteren en de auto achterlaten, deed op deze warme nacht gelukkig exact wat ze moest doen. Vanaf het moment dat ze ver genoeg open was, reden we erlangs, om haar met de afstandsbediening weer net op tijd te sluiten. Tegen de tijd dat we onze auto geparkeerd hadden en het grasveld overstaken om binnen te gaan, waren de niet zo nobele onbekenden ook aan de poort aangekomen en uitgestapt om ons luidkeels allerlei onverstaanbaars toe te roepen. Gezien de niet zo waterdichte omheining en het feit dat ze wel heel volhardend waren in de boosheid, besloten we meteen de politie te bellen. After all, als er één plaats was waar er fortuinen te rapen waren, was het hier wel, en wij hadden ze zo maar eventjes naar deze verborgen schat in de bossen geleid.
Ze zouden een patrouille sturen, luidde het antwoord van onze blauwe vrienden. Wachtend op hun komst keken we stiekem vanuit een donkere kamer toe hoe de bijna betrapten nog wat keet schopten, maar vooralsnog geen aanstalten maakten om over de omheining te klimmen. Toen er na drie kwartier nog geen spoor te bekennen was van de beloofde patrouille, pleegden we een tweede telefoontje, maar toen die uiteindelijk toch opdaagde, waren de vogels al gevlogen en konden ze niet veel meer doen.
Niet helemaal gerustgesteld vielen we niet veel later in slaap. Om de volgende ochtend gewekt te worden door twee telefoontjes. Van twee vrienden die op weg naar huis van het feest respectievelijk voor en achter ons hadden gereden maar die we niet herkend hadden, zelfs niet toen ze ons, dronken als ze waren, tot thuis gevolgd waren en op onze oprit hadden staan roepen. Right.



Clean house
Moet ik nog opruimen, vroeg hij. Ik heb gezegd dat dat niet nodig was, ik denk dat er wel betere dingen zullen zijn om naar te kijken als zijn rommel. Ha!