Categorie Archieven: Health

P1060123

Mevrouw Serotto? Die is een uurtje geleden op de recovery aangekomen, ik zal eens checken of jullie erbij kunnen. Ja hoor, dat is in orde, ga maar naar het operatiekwartier, om 19:45 komt er iemand alle bezoekers halen en mogen jullie haar een kwartiertje bezoeken.”
Wat volgde was een combinatie van tien minuten marteling en tien minuten het gevoel van een kind dat zo meteen Toys ‘R’ Us binnen mag. Marteling vanwege een praatzieke vrouw die er geen graten in zag dat niet alleen haar dochter, maar heel Gasthuisberg hoorde dat ze naar een opendeurdag geweest was. En wat voor ne schonen agenda dat ze had. Oh, en of de dochter er al de communies van de klein mannen kon in schrijven. Kind aan de speelgoedwinkel omdat ik compleet helemaal kick op behind the scenes toestanden, en dit al mijn tweede was vandaag. Nu ben ik al wel drie keer op de recovery geweest, maar daar herinner ik me niets meer van. Rumour has it dat ik daar ooit iemand een mep in het gezicht verkocht, en ik zal daar op dat moment wel een grondige reden voor gehad hebben, alleen kan ik me ook dat niet meer herinneren. Damn you, verdoving. Must have been quiet a show.
“Mevrouw Serotto? Loop maar door, jullie krijgen zo meteen een schort en een haarnet, en dan wijst iemand jullie waar ze ligt.” We volgden de rest van de schuifelende bezoekers en ik ontdekte dat dat nogal op de lachstuipen werkt, stil en bedrukt moeten doen om niet uit de triestige plantentoon te vallen terwijl uw vader naast u met een haarnet staat. Op zoek naar afleiding gaf ik mijn ogen goed de kost behind the scenes, en achter het eerste gordijn zag ik al direct een bekend gezicht. Alleen sperde dat gezicht de ogen open zoals het nog nooit gedaan had, en zag ik twee handen uitgestrekt naar ons. “Ah, je hebt ze al gevonden, ga maar hoor.”
“Ik had ulle direct herkend zene, ik ben al goe wakker,”
viel ze met het gordijn in huis terwijl ze onze handen beetnam. “Ik zen al goe zene, ik heb gene zeer of niks!” (spert ogen zo mogelijk nog wat verder open) “Ah da’s goe!” “Wat heb ik hier?” (grabbelt in het rond) “Uw maagsonde, en uw zuurstof.” “En wat is dat hier allemaal achter mij?” (drukt hoofd helemaal achterover in het kussen) “Dat zijn uw baxters, wel zes! En nog twee pottekes bloed ook.” “Ja? Waar? Ik zen al goe zene, ik heb gene zeer of niks!’ (grabbelt nog is naar onze handen)  “Wat heb ik hier?” “Dat zijn die plakkers van uw hartmonitor, blijft daar maar af.” “Ze zijn wel een uur bezig geweest aan mijne rug voor die pijnpomp, moete mijne rug is zien?” (probeert zich recht te trekken aan de spijlen van het bed) “How ma, blijft ma liggen, we zullen daar in de week wel is naar zien!” “Jama ik zen al goe wakker zene, en gene zeer he!” “Ah nee, de verpleegster heeft al is op uw pijnpomp komen duwen daarjuist.” “Wat heb ik hier?”  (grabbel grabbel) “Heb ik ne snotneus?” “Neeje, dat is uw sonde en uw zuurstof, dat zit in uwe neus. Moete snutten?” “Neeje.” “Blijft daar dan maar af, da mag daar sebiet al uit, over een uur moogde al naar uw kamer.” “‘t Wachten is gedaan mannekes, we zijn ervan af. En gene zeer he!” “Goed he! Zijde ni mottig?” “Nee zene, ik zen goe. Hebde uwe kodak bij?” “Ja, moet ik ne foto trekken?” “Ja!” “Pa, doet die gordijn is wa meer toe da ze da ni zien.” *miihii bewijs op foto van mijn aanwezigheid achter de schermen* “‘t Wachten is gedaan mannekes!” “Jaja, en sebiet moogde al naar uw kamer he!” “Ah ja want ik zen wakker he! Wat heb ik hier?” “Uw sonde en uw zuurstof, Alzheimerke, ge zijt precies nonkel Toinke, dieje vertelt ook alles acht keer na mekaar.” “Ja?” “Ja. Oei, ze doen teken, we zullen voort moeten. Slaapt nu maar in ene trek door tot morgenvroeg, en daarna is papa er al terug he.” “Morgenvroeg??” “Neeje, op de middag, maar gij moet nu slapen tot morgenvroeg zeg ik.” “Jama ik zen wakker zene. Allee, tot morgen he!” (doet iets met zwevende handen dat hoogstwaarschijnlijk de beste imitatie was van wat een écht wakkere mens zwaaien zou noemen) “Salu he!” “Jow!”
Zó doet ge dus, een uur nadat ze in uw lijf gesneden hebben. Onnozel. Ik begin zo te vermoeden dat ik indertijd éérst een mep heb gekregen van een geërgerd publiek, voor ik mijn mep verkocht. Maar daar zijn natuurlijk geen bewijzen van.

09:50 Telefoon; Chief: “Zeg, ge weet toch dat we om 10:00 meeting hebben met de foto he?” “Bwah, een beetje…maar ja, ik zal er wel zijn zene!”
09:56 Mail; Fotoredactie: Reminder: 10:00 meeting
11:00 2 gemiste oproepen, 2 sms’en
Sms 1; Maylen: “Ik was helemaal vergeten dat ik vanavond moet gaan eten met Evert, om 18:30…”
 Antwoord: “Zeeheeg, ik had vanochtend al patatten geschild, en besides, ik moet deze week 3 dagen tot 20:00 werken,  kan dat dan niet?”
 Sms 2; Maylen: “Oh en trouwens, mama is opgeroepen geweest door Gasthuisberg, ze moet straks binnen en morgen al opereren, maar ze zal ondertussen wel gebeld hebben.”
Gemiste oproep 1: Ma
Gemiste oproep 2: Ma
11:10 Telefoon naar Ma: “Awel, ge zijt straks al de piste in?” “Jaja, het gaat rap ineens.” (…) “Allee, laat dan maar iet weten strak he!” ”Ja da’s goe, tot strak!”
11:30 Mail naar Maylen: “Kunt gij dan zorgen dat er vlees is voor mij dat ik zelf niet te veel moet lopen, want ik zal dan pas tegen 20:30 ten vroegste thuis zijn?”
14:00 Mail; Maylen: “Eten is afgezegd, maar ben ondertussen Kevin gaan halen, ‘t is gedaan met Fleur dus hij blijft effe bij ons logeren.”
Antwoord: “Ah ja. Ik ga proberen van om 17:30 te stoppen, het kan zijn dat ik eerst thuis kom eten, maar ik laat nog wel iet weten van uit den auto.”
16:30 Telefoon naar Pa: “En, hoe zit het daar?” “We zitten wij hier nog te wachten he.” “Oei, da’s ni goe. Maar nu da’k u toch heb, dat bed, staat dat er al?” “Jaja.” “Ah, ist goe als ik die matras effe kom halen straks, ik zit met volk.” ”Ah ja, da’s goe. Allee, ik geef ze is.” “Jah.” “Jah.” “Awel, dat gaat daar niet vooruit precies?” “Ma nee gij, ik krijg het hier al serieus op mijn systeem, ik moet hier om 15:00 zijn en nu is mijn kamer nog niet gereed. We zitten wij hier onnozel te gapen gelijk als een koei op nen trein, ik heb al veel goesting om terug naar huis te gaan zene.” “Jama hou u maar kalm, gaat is tot buiten.” “Hmm.” “Allee, ge laat maar iets weten als ge geïnstalleerd zijt.” “Jow.” “Jow.”
16:38 Telefoon naar Maylen: “Dus. Ze heeft nog altijd geen kamer, en om daar in de wachtzaal op bezoek te gaan is ook wat onnozel, dus ik kom eerst allegauw iet eten he. Maar ik ga proberen van om 17:00 te stoppen, want ik moet dan nog om die matras ook he. Ik ga dus tegen 18:00 thuis zijn, en ik ga gepresseerd en hongerig zijn.” “Ah ja. Gepresseerd. En hongerig. Das goe, tot strak.” “Jow.”
16:40 Mail naar Chief: “Effe zeggen dat ik er een uurke afpits vandaag en om 17:00 vertrek in plaats van om 18:00″
17:15 Sms; Pa: “Kamer zoveel, zoveelste verdiep, dieje pijl”
Antwoord: “Ok, ik ga thuis allegauw iet eten en dan ben ik daar.”
17:43 Sms; Chief: “Die meeting morgen bij Televisiezender is met sandwichen!”
Antwoord: “Die weten hoe het moet, dat ziet ge direct!”
17:55 “Ha Kevin, ik zou vragen, hoe ist, maar das een stomme vraag nu he.” “Bwah ja, een beetje crappy he. Maar allee, we zullen rap friet gaan halen dan.” “Ja, met de nadruk op rap he.”
18:20 “Zeg, terwijl dat gijle om friet waart heb ik boven al plaats gemaakt he, nu moet ik nog juist rap die matras gaan halen strak.” “Ah maar ik heb een hotel gevonden voor een paar nachten, ik wil efkes alleen zijn.”
18:40 Telefoon; Ma: “Belt als ge op de parking zijt he!” “Ja. Voorwa?” “Ik zit niet op mijn kamer, we zitten in den hof.” “Den hof.” “Ja, één te smoren.” “Ah. Tis goe, ik zal bellen, ik ben daar over 10 minuten.”
19:55 Telefoon, Pa: “Als ge sebiet naar de parking gaat, ge moet niet betalen, den bareel staat open.” “Oh da’s goe da!”
20:30 Blog: “09:50, Telefoon; Chief”

Ander dagen ben ik niet met mijne privé bezig op het werk zene, het is maar dat de privé vandaag zonder voorbereiding wat in het honderd zou gelopen zijn. En anders ook.

We gaan week vijf in van mijn moeders mysterieuze ziekte. Een paar ziekenhuisopnames, een eindeloze reeks onderzoeken en twee ziekenhuizen verder staat de medische wereld nog steeds voor een raadsel. Zelfs de maagspecialisten in Gasthuisberg, een ziekenhuis waarvan wel mag gezegd worden dat ze tot ver buiten de landsgrenzen gekend is voor haar expertise, heeft nog nooit gezien wat zich momenteel in mijn moeders maag ontwikkelt. Veel verder dan, als ze de eerste week van november tijd hebben that is, de hele maag en bijhorende klieren weghalen omdat de tumor te groot is, komen ze niet. Veel beter dan ons daarna nog eens vier weken laten wachten op de resultaten om te weten welke chemo zal volgen, kunnen ze ons niet geven. In totaal dus tien weken wachten op god weet welk vonnis, en we zijn nog maar halfweg. Tot dusver heb ik gedaan wat ik kon. De was en de strijk overgenomen, bezocht wanneer ik kon, gebeld wanneer ik kon, gesteund wanneer ik kon.
Toen ze me donderdagavond belde met de vraag of ik zaterdag met haar mee wou gaan shoppen om nog wat makkelijke kledij in te slaan voor de dagen nadat ze haar hele voorkant hebben opengesneden en zal vasthangen aan een hele reeks pijnpompen, baxters en buizen door de neus om eventuele lekken op te sporen, voelde ik me wat in het nauw gedreven. Mijn zaterdagmiddag was namelijk al naar de vaantjes door het verjaardagsfeest van Maylens neefje, en de voormiddag wou ik eens zonder wekker, maar wel met poetsgerei in de aanslag, doorbrengen. Ik kon dus niet anders dan mijn geheim prijsgeven: de dag vakantie die ik mezelf op vrijdag cadeau wou doen en waarvan alleen beste vriendin Kristel op de hoogte was. Voor haar en haar pasgeboren dochter wou ik nog wel een uurtje vrijmaken op die dag, maar de rest zou eindelijk eens gewoon voor mezelf zijn na de drukte van afgelopen weken, de afspraak die ’s avonds al op de planning stond niet meegerekend. Een andere oplossing dan mijn voormiddag ook aan iemand weg te schenken, zag ik echter niet, aangezien op zondag de winkels gesloten zijn en ik het niet over mijn hart kreeg om nee te zeggen tegen mijn zieke moeder.
Amper binnen in het ouderlijke huis stak de eerste ergernis de kop op. “Kijk eens wat ik heb meegebracht uit het ziekenhuis,” verwelkomde ze me terwijl ze naar de keukentafel wees die bezaaid was met brochures over kanker. “Heb je ze allemaal aandachtig gelezen?” vroeg ik haar streng. “Wees gerust, ze kent ze ondertussen vanbuiten,” antwoordde mijn vader in haar plaats. “Wil je ze dan alstublieft wegleggen?” vroeg ik gepikeerd. “Zeg, ik moet toch niet wegstoppen dat ik kanker heb?” vroeg ze me verontwaardigd. “Nee,” zei ik, “maar dit is geen kwestie van dingen wegstoppen. Ik wil niet dat je de hele dag opnieuw en opnieuw kankerlectuur doorneemt, want als je het nog niet had, zou je het daar wel van krijgen. Je weet wat je moet weten, en dat is meer dan voldoende, vul je gedachten nu maar weer met positievere dingen tot het zover is of je geeft de moed bij voorbaat op. Je moet je focussen op de genezing, maar zo focus je je op de ziekte, dat is nergens goed voor.”
Toegegeven, ik was wat hard daar, maar ik had het al een tijdje aangezien en wist dat het de foute kant ging oplopen. Bovendien ken ik mezelf, en als ik mezelf ken, ken ik mijn moeder ook, want we hebben dezelfde genen die af en toe om Prozac schreeuwen. Hier hielp geen “arme moeder toch” meer. Wat later merkte ze zelf op dat, als ze dit tien jaar geleden had meegemaakt, ze nu al dood zou geweest zijn van pure angst, nog voor het eigenlijke vonnis gevallen was. Ik geloof graag dat ze al een heel eind verder staat dan vroeger omdat ze ziet dat de manier waarop haar dochter tegenwoordig tegen de dingen aankijkt, nog zo gek niet is en echt helpt om situaties als deze het hoofd te bieden.
Diezelfde dochter liet vandaag echter een steek vallen toen ze opgebeld werd door moederlief. “Ik had gedacht dat je vandaag eens ging langskomen,” viste ze. Handig huppelde ik om het onderwerp heen, maar een paar zinnen later wierp ze haar tweede steen door te vragen wat we gingen eten. Ze stelt me wel meer die vraag op zondag, en ik weet wat dat betekent: ze heeft zin in take-away, en als wij het halen, trakteert zij. Meestal gaan we daar gretig op in, want dat betekent niet koken, geen afwas, free food en een leuke babbel. Vandaag hield ik me echter van de domme en hing een vaag verhaal op over restjes die dringend op moesten voor ze slecht werden. Ik kreeg mezelf niet zover om wéér het huis uit te komen, om wéér tijd van mezelf af te geven, goed wetende dat de volgende vijf dagen ook weer door iemand anders, a.k.a. mijn werkgever, opgeëist worden. Duidelijk teleurgesteld hing ze wat later op en uitte ik wat vervloekingen tegen Maylen over iedereen die steeds wat van me wil.
En nu zit ik hier, met mijn eigen eten en mijn eigen afwas. En een joekel van een schuldgevoel. Want ik weet dat mijn moeder verloren loopt dezer dagen. Dat ze de muren opkruipt, wachtend op dat telefoontje dat ze tijd hebben voor de operatie en de vier weken wachten op het 36ste definitieve resultaat eindelijk kunnen ingaan. Dat ze niet liever heeft dan dat haar enige dochter op zo’n moment gewoon komt eten en even haar gedachten verzet door moeilijke gesprekken waarin ze haar angsten kan uiten, afgewisseld met wat lachstuipen.
Maar de dochter zei nee vandaag. De dochter koos voor zichzelf. En de dochter is daar niet zo trots op, eigenlijk.

Tot voor kort wist ik niet wat het inhield, manager zijn. Nu weet ik het wel: werk dat nooit stopt en een hele rij Kuikens die je met 101 vragen dwingen om non-stop beslissingen te nemen.
Tot gisteren wist ik niet wat het inhield, manager met buikgriep zijn. Nu weet ik het wel: met de emmer naast het bed en de laptop op schoot blijven gaan, want the show must go on.
Een wc met ingebouwd scherm en internetverbinding, dàt zou eens iemand moeten uitvinden. Maar ik wil er dan wel een patent op.

Ik heb mijn moeder teruggezien gisteren. Natuurlijk was ik een paar keer op bezoek geweest in het ziekenhuis, maar daar trof ik iemand anders aan. “Tja, als ze de maag helemaal willen weghalen en nu ook al de longen onder de loep gaan nemen, hoeveel conclusies kan je dan trekken?” vroeg ik me ergens afgelopen week sms-gewijs richting Blondine af. Mijn moeder had haar conclusies al getrokken en het was eraan te zien; met bloeddoorlopen ogen uitte ze vanuit haar ziekenbed de hoop dat ze toch minstens het einde van het jaar nog zou halen. Zelf trok ik nog geen conclusies. Niet zolang iemand het zwart op wit kon bewijzen. Afgezien van het gezaag en geklaag hier – met een titel waar Prozac in voorkomt is dat immers een beetje verplicht – hield ik me in het echte leven veel beter staande dan ik zelf op voorhand zou verwacht hebben als ik wist wat er allemaal tegelijk op mij zou afkomen. Ik hield me gewoon staande, want een andere optie was er niet, punt. Ik zou wel in mijn eigen tijd instorten, niet op een moment waarop vijf familieleden en een half bedrijf op mij rekenden. En dus werkte ik mijn ronde van schoonmoeder in het ene ziekenhuis, beste vriendin met kersverse dochter in het andere en troosteloze, onherkenbare moeder in een derde ziekenhuis af en gaf geen kik.
Dit weekend moest ik naar geen enkel ziekenhuis. Schoonmoeder mag morgen weer naar huis, de vriendin is al thuis en mijn moeder mocht een weekendje naar huis voor ze ons eindelijk de resultaten en de plannen meedelen. In plaats van een uur in de auto, kon ik na een rit van nog geen vijf minuten mijn moeder zien. En het was tot mijn grote opluchting weer de moeder die ik kende vóór dit alles. Gierend van het lachen maakten we plannen voor haar begrafenis. “Een kerk? Wij trekken met u niet naar de kerk zene,” bromden mijn vader en ik in koor. “Al die kerkuilen en ramptoeristen daarbij, daar moeten wij niet van weten,” stelden we kordaat. ”Ja zeg,” speelde mijn moeder verontwaardigd, “doe het dan bij de begrafenisondernemer he, daar is het inderdaad schoner als in die donkere kerk, of in het crematorium.” Waarop ik me luidop afvroeg of dat geld dat ze in de kerk rondhalen voor meneer pastoor voor ons zou zijn als we het elders zouden doen. Mijn moeder liet ietwat voorbarig net niet het loodje bij het horen van die vraag, maar vond nog net genoeg zuurstof om me lachend uit te maken voor gierigaard. “En die doodsbrief en dat ander prentje, is dat nu echt nodig?” vroeg ik haar. “Kunnen we niet gewoon een coole affiche maken en die via mail rondsturen, alleen naar de mensen die we erbij willen?” “Een affiche??” verslikte ze zich bijna in haar thee – koffie mag niet meer, het arme mens – van het lachen. “Wel ja,” deed Maylen een duit in het zakje, “voorverkoop 5 euro, en 10 euro aan de kassa!” “Oh ja,” herinnerde mijn moeder zich terwijl ze me aankeek, “gij moet wel de liedjes uitkiezen.” Shit. Dat worden Bart Herman toestanden, dacht ik bij mezelf, en stelde voor dat ze zelf haar lijst van liedjes opstelde voor de dj. “Ge gaat de volgende weken toch niets beters te doen hebben in uw bed, lui vrouwmens,”  riep ik haar tot de orde terwijl ik haar een armetierig restje eten doorspeelde. “Is dat alles wat ik krijg? Zeg dan direct luidop dat ik er bijna aan ben he!”, proestte ze het uit.
No one laughs at God when the doctor calls after some routine tests, kweelt Regina. Wij geloven niet in God, en wij lachen met de dood, ja. Omdat humor nu eenmaal de beste remedie is, en omdat wij nu eenmaal dat soort mens zijn.
Ik heb mijn moeder teruggezien gisteren. En het was lachen maat!

Allee, nog ene en de reeks van twaalf zit erop en kan ik twee dagen thuis werken. En la mama een schop onder de kont geven, want die denkt ondertussen dat ze het einde van het jaar niet meer haalt nu ze haar hele maag willen weghalen. En zandzakken zoeken, want die wateroverlast steekt me wat tegen. En strijken uiteraard, want dat is een bodemloos vat.
Mijn wil om een kakmadam te worden en een strijkatelier in te schakelen, liefst in combinatie met kuisvrouw, was nooit groter dan in deze dagen. Mijn eigen tegenargument dat zo’n luxe niet hoort voor een jong koppel zonder kinderen klinkt met de dag toch lachwekkender. Misschien koop ik dan ineens ook maar een chihuahua met bijpassend Delvaux-chihuahua-draagzak – of hoe noemt dat ding waar rijke mensen hun hond in stoppen hoewel het dier op meer poten loopt dan een mens? – om de lijn door te trekken, want consequent zijn we wel. Erm.

Zalig zij de moment waarop ge na:

* een zaterdag van 12 tot 12 gewerkt te hebben met als enige onderbreking twee ziekenhuisbezoeken, één voor de geboorte van nog een Nina – wereld, weze gewaarschuwd – en één bij de moeder die een halve dag geweend had omdat ze nog niet dood wil
* een zondag meteen na de go vanuit Brussel de tonnen strijk te laten vallen en dirct in de auto te zijn gesprongen om een hele dag voorbereidingen te treffen
* een maandag met een twaalf uren werkmarathon een shitload aan problem solving hebt verricht, in combinatie met de lancering van de nieuwe sites, een hele kudde Kuikens doorheen de eerste dag met hele nieuwe organisatie en werkwijze loodsen, een bezoek aan redacties in Antwerpen en Limburg om daar uw project voor te stellen en het ontvangen van het nieuws dat er nòg meer onderzoeken moeten gedaan worden voor er eindelijk iemand kan zeggen wat er scheelt met zij die mij op deze wereld zette

eindelijk gewoon uw 10 centimeter high heels kunt uitdoen en uw trainingsbroek kunt aandoen.

*extreem opgeluchte zucht*

Dat onze nieuwe programma’s pas in het beste geval vanaf morgenmiddag operationeel zijn, was redelijk rot nieuws gezien de boel vanaf maandagochtend perfect moet draaien maar daar nog een hele dag werk voor mij en mijn chief aan vooraf gaat.
Dat de shitload aan ander werk dat ik echt wel van thuis wou doen vandaag volgens één van de IT’ers alleen vanop het intern netwerk a.k.a. alleen vanuit Brussel gedaan kan worden, was nogal frustrerend nieuws.
Dat mijn hart continu in overdrive gaat en mijn maag een vuurbal lijkt waardoor oude fobieën getriggerd worden, was bij het eerder onaangename wakker worden vanochtend beangstigend nieuws.
Dat de stress van het werk daar bitter weinig mee te maken heeft maar een groot deel daarvan veroorzaakt wordt door de steeds persoonlijk wordende, extreem giftige uitvallen van La Reine, lijkt mij momenteel get-a-grip-Nina nieuws.
Dat de tuin moet gesproeid worden om het pas gezaaide gras te doen groeien, was wanneer-moet-ik-dàt-nog-doen nieuws.
Dat mijn wasmachine en droogkast overuren draaien om drie huishoudens verwerkt te krijgen waardoor de elektriciteit uitvalt, was nu-dat-ook-nog-nieuws.
Dat de resultaten van de biopsie van mijn moeder pas dinsdag bekend zijn, was ongeduld oproepend nieuws.
Dat de wederhelft over een paar uur weer maar eens naar het buitenland vertrekt, vind ik op dit moment nog het slechtste nieuws.
Maar er was ook één goed nieuws, en for the sake of mijn overlevingskansen in deze, euhm, uitdagende tijden, kan ik niet anders dan dààr op focussen. Er zijn namelijk nog helden in deze wereld, en wel in de vorm van een andere IT’er, die me uiterst aangenaam vlot van thuis uit toegang kon geven tot de programma’s die ik nodig heb. Ik ga dus de rest van de dag euforisch lopen over het feit dat ik thuis mag werken vandaag, wie had dat ooit gedacht. En er nu meteen invliegen ook. Allee, c’est parti, tsjakkaaahh!

“Hebde gij sigaretten bij?” vroeg ze me op samenzweerderige toon terwijl ze me al ongeduldig tegemoet kwam lopen door de ziekenhuisgang, gevolgd door een “Ik eet hier alles op wat ze me geven zene, want gisteren heb ik van heel de dag niks gekregen, maar ik ben blijven zagen tot ik toch op zijn minst wat water mocht drinken. Ik ga mij hier niet laten doen!” Met al de schelmenpraat die er verder nog uitkomt, kan een mens alleen maar denken dat ze zo ziek wel niet zal zijn, mijn moeder.
Althans, dat blijven we onszelf voorlopig nog wijsmaken, nu haar potentieel gezwel van woensdag gisteren een maagzweer leek maar nu toch weer een gezwel zou kunnen zijn. Benieuwd tot wat het tijdens de onderzoeken van morgen weer gemuteerd zal zijn. Benieuwd ook tot hoe laat ik het vandaag nog ga volhouden met werken, en benieuwd hoe ik de ondertussen drie in plaats van één huishoudens tussendoor gerund ga krijgen.
Ik ben precies in een benieuwde bui vandaag, valt het op?

Toen ik, na een ochtendritueel dat op zijn zachtst uitgedrukt wat problematisch verliep, in de auto merkte dat mijn aansteker had besloten de geest te geven, wist ik: dit wordt weer zo’n dag. Zo’n it’s like 10.000 spoons when all you need is a knife-dag. En dat werd het inderdaad, en nog meer dan dat. Naast de gewone spoon-situaties ben ik – voor het eerst sinds maanden, het mag gezegd – weer eens tegen het humeur van La Reine aangebotst. Na jaren van tirannie en getreiter hield ze zich de laatste maanden zo koest dat we nog meer dan anders op onze qui-vive waren, want het werd ronduit akelig, dat vriendelijk doen tot zelfs neurieën van haar. Hier was iets niet pluis, dit was stilte voor de storm, zeiden we vorige week nog tegen elkaar.
Et voila, vandaag was de dag dat de storm in alle hevigheid losbarstte. Na meer dan dertig jaar moet ze vanaf volgende week namelijk haar ambtenarenleventje – vanaf, let wel vanaf, 10:00 toekomen, om 13:23 naar het toilet, om 13:28 een telefoontje, om 13:30 middagpauze,om 17:30 kranten beginnen lezen, om 17:53 naar het toilet, om 17:58 een telefoontje en om stipt 18:00 weg – opgeven en actually meedraaien in het systeem van wisselende uren. Het duurde geen vijf minuten na het verzenden van de uurrooster voor volgende week, dat ik de volle laag kreeg. Omdat het lang geleden was, besloot ze om het maar meteen ver te drijven. Zo ver dat ze ermee dreigde met haar contract naar de rechtbank te stappen, want zij denkt – verkeerdelijk, want er is naar wat ik begreep niets van aan – dat daarin staat dat zij alleen maar van 9 tot 5 mag werken. Waardoor ze dan al jaren zelf in overtreding is door van 10 tot 6 te werken, maar dit geheel terzijde. Ik werd al lichtjes kwaad bij het horen van zoveel onzin, maar toen ze er fijntjes op wees dat ik wel mooi twee keer van 10 tot 6 op de uurrooster sta, begon ik in stilte te hopen dat ze ter plekke een hartaanval zou krijgen en het er met geen mogelijkheid levend vanaf zou brengen. Mijn 10-tot-6-en betekenen namelijk dat ik de baan op moet en dus niet kàn meedraaien in het systeem. Mijn – oerdomme, want ik heb als haar manager geen verantwoording aan haar af te leggen - poging om haar daarop te wijzen, werden op een giftige “Jaja, jij moet, jij moet” onthaald. Ok. Seriously. Hoeveel moet ik betalen om dat mens te laten afmaken? Ik moet, ik moet, ja. Ik moet tijdens mijn vakantie heelder dagen opofferen voor het werk. Ik moet als enige meer dan de gebruikelijke acht uur aanwezig zijn op het werk om alles rond te krijgen. Ik moet ’s avonds thuis dan ook nog wat verder werken. Ik moet zowel zaterdag als zondag gaan werken dit weekend. Ik moet daarna nog eens de gewone vijf dagen doen ook, wat maakt dat ik minimum twaalf dagen op rij werk, en dan bekijken we het nog optimistisch want de echte lancering is pas voor de maandag daarna. Ik moet volgende maandag om 8 uur ’s ochtends de eerste Kuikens helpen het nieuwe systeem op te starten en in het slechtste geval tot 8 uur ’s avonds blijven om de laatste Kuikens te helpen afsluiten. Ik moet, ik moet. Ik moet vooral van dat mens zien af te raken, me dunkt. Ik vind niet eens woorden om uit te drukken hoe rà-zend kwaad ik word van zo’n soort. Ik hoop dat ze morgen nog zo’n dag heeft, want waar ik me vandaag nog heb ingehouden, sta ik te popelen om haar bij de eerstvolgende gelegenheid met de grond gelijk te maken. Ongelooflijk hoe iemand die na drie decennia nog steeds redelijk onderaan de ladder bengelt zo de plak kan zwaaien, en er niemand, noch van de laagste, noch van de hoogste regionen man genoeg is om daar korte metten mee te maken.
Gelukkig is de redding steeds nabij wanneer de nood het hoogst is. Tijdens een snelle after work drink – af en toe eens een uurtje ontspannen moet kunnen – met een ex-Kuiken werd ik namelijk verlost van mijn razernij omdat er een zorgelijk bericht van mijn vader binnen kwam. Mijn moeder had, zoals we al vermoedden, wel degelijk een maagbloeding gehad, wisten ze tijdens een onderzoek in het ziekenhuis te vertellen. Om er meteen bij te zeggen dat het beter was om haar een paar dagen daar te houden, aangezien ze zoveel bloed verloren heeft dat ze nu dat van een ander nodig heeft, én er een gezwel van nog ongedefinieerde aard ontdekt is dat op haar maag drukt. In plaats van vroeger op te staan om vroeger te beginnen werken, wordt het morgen dus vroeger opstaan om in het rusthuis de was van een oudtante op te halen en die god weet wanneer weg te werken. In plaats van me na het werk naar huis te haasten om daar nog wat verder te werken, is het morgen dus me na het werk naar een ziekenhuis haasten. En niet eens dat ziekenhuis dat wereldvermaard is op amper 10 minuten van huis, maar een ziekenhuis in een andere provincie. In plaats van me zorgen te maken over het werk, is het morgen dus me zorgen maken over mijn moeder.
Weet je wat ik leuk zou vinden? Dat mijn wederhelft nu thuis zou zijn, in plaats van weer de hort op voor een volgend project. Of dat vandaag gewoon een nachtmerrie blijkt te zijn, en ik over luttele seconden wakker word met zicht op een parelwit strand. Maar nu vraag ik teveel zeker?