Categorie Archieven: General

balenciaga4

Ergens vorige week slaakte ik een kreet die het hele Twitterlandschap op zijn grondvesten deed daveren. Ik zag twee mensen vlak na elkaar exact dezelfde, een overigens veel gemaakte, spellingsfout maken. Dat op zich is, zoals ondertussen geweten, reden voor mijn hart om onderwerp te zijn van een kleine verzakking. Als het dan nog door twee leerkrachten (van dezelfde school!) gebeurt, is het hek helemaal van de dam. Ik nam me stellig voor de volgende dag eens haarfijn uit te leggen hoe het nu juist zat met die regel. Echter, het leven, a.k.a. de moeder met haar te opereren maag – sinds een paar uur terug thuis en haar al overeten, of wat dacht je – kwam ertussen en van die voorgenomen post kwam niets terecht. Gisteren zag ik de fout nog eens de revue passeren, in een tijdschrift nog wel, en toen wist ik: de wereld heeft nood aan een duidelijke uitleg hieromtrent. Bij deze:
Er zijn twee manieren om een sacoche te aanbidden. “Ik aanbid u, Balenciaga” of “Ik aanbid uw Balenciaga.” In het eerste geval zou het kunnen zijn dat meneer doktoor vindt dat ge een klein probleemke hebt, namelijk het aanspreken van dingen, wat in onze cultuur vrij tot zeer not done is. Gezien het hier over spelling, en dus schrijven gaat, is het eigenlijk nog erger, want dat wilt zeggen dat ge brieven schrijft naar uw sacoche. Het positieve van de zaak is wel dat ge juiste brieven schrijft, want ge spreekt – of schrijft – ze aan met u-zonder-w, zoals het hoort bij een aanspreking. Als ge zo bekakt bent om zelfs als niemand anders, buiten uw sacoche, u kan horen of lezen, nog met je en jou te spreken of schrijven, is dat dus “Ik aanbid jou, Balenciaga,” jou-zonder-w.
Ge kunt ook zeggen “Ik aanbid uw Balenciaga,” voor de bekakten “Ik aanbid jouw Balenciaga”. In dat geval zijt ge iets minder mentaal uitgedaagd, maar hebt ge nog steeds een probleem: De Sacoche Der Sacochen is dan wel in uw buurt, ze is niet van u. Dan behoort ze uw vriendin toe, die ge dan beter niet meer ziet, want als ge zelf geen Balenciaga hebt en uw vriendin wel, dan is die vriendin gewoon een trut. De u-met-w en jou-met-w wijst namelijk op een bezit.
“Loopt met uw Prada’s maar door die plas, dat kan geen kwaad” *gniffel* en “Ik vind uw Burberry zo cliché,” *steek* versus “Die Bottega van u ga ik komen pikken nadat ik u gedrogeerd heb, sloerie” en “Die Fendi staat u niet half zo goed als mij, biatch” dus. Voor de mannen: het werkt ook als ge de Balenciaga vervangt door Maserati of Matinique of whatever gets you going.
Allee, en nu allemaal goed oefenen, want morgenavond rond deze tijd overhoring. En dat ik het niet meer zie he, zo’n kemels!

Weet ge wat verschieten is? Buiten de confrontatie met uw eigen dommigheid? Uit de parking van het werk rijden met een auto die al een paar maanden piept, vinden dat hij nu toch wel heel hard piept, voor een seconde denken dat hij zo hard piept dat hij echtig waar gaat ontploffen, direct daarna denken dat het zo luid is dat er voorlopig onzichtbare flikken op komst zijn, uw muziek stiller zetten van complete maaralleehoekandanutoch en dan beseffen dat ge gewoon langs een auto bent gereden wiens alarm aan het afgaan was. Right. Goe bezig zeker, ik?

Ben ik nu echt de enige die niet wist dat er vliegen bestaan die zich verkleden als wesp, de snoodaards? En, ongeacht het antwoord op vorige vraag, doet dat u ook denken aan de SATC-aflevering die – ik wist niet eens dat ze me zelfs zò hard kopieerden – Sex and The Country heet en waarin Carrie één van haar beruchte gilletjes slaakt bij het zien van een rat en zeer treffend uitroept “You can’t be friends with a squirrel! A squirrel is just a rat with a cuter outfit!” En, laatste vraag: heeft u daar ook gigantisch hard mee dicht gelegen toen u dat voor het eerst zag en hoorde? I know I did, maar toen wist ik nog niet dat ze zo’n bijna-plagiaat pleegden met hun titels, natuurlijk.

Amai amai, ons moeder heeft al een tweede Facebookpagina aangemaakt. Ze gaat hard verdorie, ik ga nog moeite moeten doen om het mens bij te houden.

sb10065791dd-001

Ontsteltenis daarstraks bij het nuttigen van het avondmaal, dat bestond uit taco’s, een woord dat ik om de vijf happen met Mexicaans accent moest herhalen, gevolgd door een exotische “Aie pappy!”, afgewisseld met de nadrukkelijke melding dat ik toch ooit een chihuahua moet hebben die Rosita of Pepito noemt.
Echter, het ging niet over honden, noch over Mexicaanse gebruiken, die ontsteltenis. Wel over de code die in het stof op de glazen tuintafel getekend was. Er zijn zo van die dagen dat ik te lui ben om eerst de hele tafel spic & span op te blinken voor ik er mijn bord op neerplant, ja. Ze Code bestond uit een stippellijn, daaronder een vraagteken en daaronder een doorlopende lijn. “Er zijn gewoon mensen in onze tuin geweest!!” gilde ik dramatisch naar de overkant van de bestofte tafel. De overkant smekte smakelijk – ik voel een nieuwe Suske en Wiske titel aankomen – verder en schonk beledigend weinig aandacht aan mijn alarmerende boodschap. “Waarom bent gij nu niet verontrust door het feit dat er vreemden op ons terras komen en op onze tafel tekenen?” vroeg ik, vastberaden om het onderwerp niet zomaar van tafel te laten vegen. “Waarom zouden er in godsnaam mensen op onze tafel willen komen tekenen?” was de lauwe reactie die ik toch eindelijk wist uit te lokken. “Duh!” repliceerde ik, niet begrijpend waarom iemand met zijn verstand dat niet meteen zag. “Ge weet toch dat ze vroeger strepen zetten op de gevels van mensen, om aan te duiden wie wanneer thuis was en wanneer er kon ingebroken worden?! Zelfs bij Schoonzus deden ze het, of dat dacht ze toch, tot ze doorhad dat het krassen van de buggy waren. Het is een Code!! Over onze gewoonten!” Hij wierp nog eens een blik op de code terwijl ik ze met de nodige nauwkeurigheid ontleedde. Aan de hand van de stippellijnen wees ik aan dat het badkamerraam wel eens openblijft ’s nachts, en dat er uit het andere raam ’s avonds geluid te horen is van een televisie, dus langs daar moeten ze vooral niét binnenkomen. Het vraagteken, zo dokterde ik vernuftig uit, was mijn uurrooster. Er is namelijk geen mens op de wereld die met zekerheid kan voorspellen wanneer ik thuis ben, zelfs ik niet, want daar zit niet de minste logica in.
“Hier, ik haal hun code overhoop,” zei mijn overbuur, die zich waarschijnlijk realiseerde dat hij beter gewoon deed alsof hij het geloofde als hij er snel vanaf wou zijn, terwijl hij er willekeurig stippellijnen doorheen tekende. “Aha! Uitstekend idee!” riep ik evenwel trots. Om het nog wat duidelijker te maken voor de toekomstige inbrekers dat we hen wel doorhebben en er met ons niet te sollen valt, tekende ik er een hand met opgestoken middelvinger bij. “Daar, een vette ‘fuck you, we hebben uw code verneukt’,” legde ik dapper uit. Die durven voorzekerst nooit in te breken bij ons, ha!

poster_l

Met slechts een uur slaap achter de fris gepoetste kiezen, valt er doorgaans weinig te lachen. Gelukkig koos ik als prille twintiger in de snoepwinkel die het aanbod jonge mannen soms kan zijn een exemplaar dat er zijn hand niet voor omdraait om om 5 uur ’s ochtends een hele exposé te geven over hoe er niet één, maar twee hanen op de boerderij – jahaa, die goede oude boerderaai, altijd weer een bron van inspiratie – naast ons zitten. Een gewone, die al jaren steevast luider dan de wekker klinkt, en meestal ook een paar uur te vroeg, maar ook, en hier zit ‘em de verrassende nieuwigheid, een gehandicapte. Daar. Daar heb je the truth, the whole truth and nothing but the truth. Wij hebben een gehandicapte haan als buur, beste menschen. Volgens hij die alles met het oor ontleedt, zit de minder goed gelukte haan binnen, maar is hij wel diegene die de normale steeds aansteekt. Om zijn kakelverse theorie kracht bij te zetten, gaf hij, half uit het raam hangend – ja, wij lijken op elkaar op sommige vlakken - een auditief voorbeeld dat er bijna voor zorgde dat ik het enige stuk textiel dat ik om het lijf had, grondig hydrateerde, gevolgd door een “Hoordetnu, hoordet?? Ah nee, dat laatste was hij niet, dat was Duffy”. Hmpf. Ofwel zijn er aan hem minstens evenveel kosten als aan mij, ofwel heeft hij een wel heel inventieve manier gevonden om blonde zangeresjes die op dat onwelvoeglijke uur op de radio lopen te kelen, te beledigen. Hoping for the best, expecting the worst.

Woohooww ik ben rijk!!! Naar mijn normen toch. Merci, vakantiegeld! Merci, belastingen (ja, zelfs)! Toch maar een deur van bladgoud bestellen, nu het nog kan?

Is de wereld één grote zoo geworden en zijn ze mij dat vergeten te melden ofzo? De lijst mannen die vertragen met hun auto als ge over de straat wandelt of zelfs stoppen met werken en vanachter hun camionnette uitkomen om u nog beter te kunnen aanstaren als een koe op nen trein is op een paar dagen tijd toch wel heel lang geworden.
We zullen het maar op het weer steken zeker? En hun compleet gebrek aan zelfrespect. IQ misschien ook. Moeder de vrouw moest het zien, het zou hun beste dag niet zijn. Snoepers.

Zo’n weekend on the countryside, dat is altijd boeiend. Na weken van mezelf af te vragen waar dat telefoongeluid toch vandaan kwam elke avond als we in bed lagen met het raam open, verschoof de vraag zich gisterenmiddag naar waarom de buurman toch om de halve minuut op één van zijn 3562 honden riep. Mijn beste redenering kwam niet verder dan dat hij die hond had uitgekozen als circushond en hem kunstjes aan het leren was. Dat de telefoon terwijl maar bleef rinkelen en die twee geluiden afgewisseld werden door het geclaxonneer van een brommertje vond ik merkwaardig, maar evengoed ging al mijn aandacht naar het roepen op die vierpoter die ergens een peak schijnt te hebben. Aangezien ik iets verderop in de rij stond dan mijn sidekick toen de hersens werden uitgedeeld, was hij diegene die wat later ontdekte wat er echt gaande was: de boerderij achter ons heeft een nieuwe aanwinst, en wel in de vorm van een papegaai.
Er komt hoogstwaarschijnlijk een dag dat ik me er dood aan ga ergeren, maar voorlopig vind ik het gigantisch hilarisch. Ik deed wat ik nog wel eens gedaan heb, en kroop op stoelen, sloop tot in de tuin van de buren en ging boven uit het raam hangen tot ik de nieuwe bron van mijn plezier in het vizier kreeg. Dit was namelijk te goed om te missen; na wat grondiger onderzoek bleek namelijk dat hij effectief tot op het pefecte af de nasale stem van zijn baasje imiteert om op de hond te roepen, hij bootst het geluid van hun telefoon na én heeft de beleefdheid om ook nog op te nemen zoals hij dat leerde van zijn baasje, doet alles wat claxonneert na én roept nog iets wat me aan het twijfelen brengt. Eerst dacht ik dat hij koekie riep, maar het zou weleens kunnen zijn dat ook ik een stichtend voorbeeld ben voor mijn nieuwe grijs met roze gevederde vriend wanneer ik ’s avonds op de katten roep. Eén van onze katten komt namelijk altijd wanneer je ook maar iets roept wat van ver in de buurt komt van haar naam, en Poekie is daar één van de vele varianten van. Hij begrijpt de eerste letter dus verkeerd, en mijn stem heeft hij ook nog niet helemaal onder de knie, maar verdorie, als het dat is wat hij probeert na te roepen, ga ik mij nog kostelijk amuseren deze zomer. Want, u raadt het al, ik heb het plan opgevat om nu elke avond buiten iets – ik ben me nog aan het bezinnen over wat precies – te gaan roepen, net zolang tot hij ermee weg is. Ik overweeg de naam van onze hond, in de hoop dat die papegaai hem dan voortaan tot de orde roept als hij terugblaft – jaja, het zijn die onverlaten die altijd eerst beginnen, die van ons antwoordt gewoon, zo braaf is hij wel – op de boerderijhonden. Waarom zelf iets doen als je een ander zover krijgt om het gratis te doen, nietwaar.
Vanochtend was het iets minder leuk op den buiten. Ik kwam namelijk nog net op tijd om te zien hoe een muis kwam binnen gelopen. Als u denkt dat we nog in de tijd leven dat die viezeriken via kieren en gaatjes binnengeslopen komen, think again. Tegenwoordig komen ze zoals de groten gewoon via de deur binnen. Doe alsof je thuis bent, zou een mens ze bijna zeggen, met hun nieuwe goede manieren. De kleine sluwerd dook meteen onder een kast, maar toen ik even later ging kijken na een gil te slaken waarmee ik zelfs mezelf deed schrikken, was hij uiteraard als bij toverslag onzichtbaar geworden. Ofwel was hij de volgende kamer binnengetrippeld, waar de fretten hun vaste verblijfplaats hebben. Mijn vermoeden werd bevestigd toen ik zag hoe die twee tekeer gingen; als ze konden, hadden ze de tralies van hun kooi kapot gerukt – iets wat ze eigenlijk elke dag weleens trachten te doen, als we ze vijf minuten later dan gewoonlijk loslaten – en als ik nog een paar plaatsen verder in de hersenuitdeelrij had gestaan, zou ik gezworen hebben dat ik ze “Er zit een muis in huis! We hebben hem gezien! Achter de kast! Hebben hebben hebben!” hoorde roepen. “De fretten erop loslaten?” suggereerde Maylen nadat ik little Stuart voor de tweede keer onder de kast zag duiken. Of correcter: nadat ik onwillekeurig weer een gil slaakte en op mijn kop kreeg omdat ik het dier op die manier afschrikte waardoor we hem zeker nooit te pakken zouden krijgen. “Euhm nee, ik heb geen zin in een bloedbad,” verwees ik dat idee naar de prullenmand. Na nog eens een jachtpoging op handen en voeten en met borstelsteel, waarbij mijn One me bedenkelijk aankeek omdat ik hem op het hart drukte vooral zijn mond goed dicht te houden, staakten we onze zoektocht. Als hij zichzelf kan binnenlaten, moet hij maar zien dat hij zichzelf weer kan buitenlaten ook. Punt.
En ja, ik heb vanavond extra luid op de katten geroepen. Je weet maar nooit dat er een  papegaai meeluistert.

Hoezee, hoera, ik sta niet alleen met mijn probleem. Een vriend gaf me namelijk net een link naar het Anti-tenen Clubhuis. Al denk ik dat het de meeste teenhaters aldaar om iets anders te doen is dan het diepgeworteld probleem waar ik mee kamp.
Oh well. Misschien word ik wel de first lady van dat clubhuis met mijn profiel en ervaring. Ofzo.