
Vorige week zaterdag hebben beste vriendin Kristel, Karen en ik onze eerste ‘Ladies’ nite’ gehouden, nadat we in het verleden herhaaldelijk hadden verzucht hoe weinig tijd we hadden om vriendschappen te onderhouden, en dat we dat wel misten, die hechte band van een groepje vrienden. We scoren op dat vlak allemaal bijzonder slecht; zowel Karen als ik vinden dat we eigenlijk maar een paar vrienden hebben, en Kristel en ik noemen onszelf ‘beste vriendinnen’ terwijl we elkaar hooguit drie of vier keer per jaar in levenden lijve zien, hoewel we maar op tien minuten van elkaar wonen. De eerste bijeenkomst, zo had ik beslist, zouden we alleen met de harde kern houden, vanaf volgende keer zouden er gastoptredens zijn van gemeenschappelijke vriendinnen. In het huis van die gast, of course, zodat die voor de drank en hapjes zou zorgen en wij er ons makkelijk vanaf kunnen maken. Mijn twee kernleden vonden dat weliswaar een regel die een beetje grof was, maar stemden er maar al te graag mee in. Die gasten hadden maar wat cooler moeten zijn zodat ze ook tot de harde kern mochten toetreden.
Halverwege de avond kwam het gesprek, uiteraard, op bouwen en verbouwen, iets wat eigen is aan onze leeftijd. Karen, die net het zwaarste op dat vlak achter de rug heeft en binnen luttele weken haar intrek neemt in haar nieuwe thuis, bood me wat van haar materiaal in bruikleen aan. Gisteren zou ik het gaan ophalen, zodat ik vanaf donderdag, het gezegende begin van de tien laatste dagen vakantie van het jaar, eindelijk weer aan de slag kan in mijn eigen crashbase. Een paar uur voor vertrek besefte ik echter dat mijn blikken doosje op wielen wel eens veel te klein zou kunnen uitvallen voor al dat grof geweld, en dus deed ik iets wat ik anders nooit doe; de hulp van vrienden inroepen. De hulp van Kristel meer bepaald, wiens man – god, ga ik daar ooit aan wennen dat dat kind getrouwd is? – een uit de kluiten gewassen bedrijfswagen bezit.
In de late namiddag gingen we op pad, snel even het materiaal inladen en weer naar huis, want ik had maar één, vrij volle, weekenddag, Kristel had het ook druk-druk-druk en Karen moest naar een feestje en eerst nog verzinnen wat en waar ze zou eten. Na een rondleiding in Karens nieuwe huis, bood ze ons iets te drinken aan, voor snel één glaasje hadden we nog net tijd. Wegens gebrek aan centrale verwarming en meubels, installeerden we ons met plastic beker en sigaretten op de grond voor de kachel en begonnen ons traditionele gefilosofeer. Karen, psychologe van beroep, is daar namelijk een kei in, in dat filosoferen over de zin en onzin van het leven, en alles onder een wel heel kritische loupe houden. Zelf kan ik er ook wat van, en als het onder haar wijze begeleiding is, kom ik telkens weer tot nieuwe inzichten, gaande van absurde futiliteiten over levensveranderende inzichten tot heuse aha-erlebnissen. Zet ons samen en er blijft geen onderwerp onberoerd. Naarmate haar pakje zienderogen slinkte omdat Kristel eigenlijk al een paar jaar gestopt is maar nu toch weer zin had in een sigaret, hadden we het dan ook, het ene moment met de nodige sérieux, het andere moment gierend van het lachen, over relaties, seks tussen deurstijlen, de liefde, wat we anders zouden aanpakken mochten we herbeginnen, het feit dat Kristel en ik vroeger na acht uur per dag naast elkaar op de schoolbanken ’s avonds nog makkelijk een paar uur met elkaar telefoneerden maar nu elkaar eerst smsen om te checken of het wel past dat we bellen, de dingen waarvan we spijt hadden, affaires, de dingen die we misschien nog konden rechtzetten, het gebrek aan one night stands, het leven volgens de gangbare normen, de zin of onzin van luxe en rechte muren, de keer dat Karen dacht dat ze dood was maar in werkelijkheid gewoon was flauwgevallen na het roken van ze green en gemiste kansen.
Van dat laatste had Karen er wel een paar, met name kattekwaad uithalen, liet ze ons weten toen Kristel en zij na haar lege pakje overgingen op mijn, vlak voor vertrek gekochte, pakje sigaretten. Tien jaar na ons afstuderen van het humaniora, heeft ze er, zo vertelde ze ons gisteren voor het eerst, nog steeds spijt van dat we dat toen niet meer gedaan hebben. Gewoon gek doen, de dingen doen die in een opwelling bij ons opkwamen, hoe gekker hoe beter. “Want,” zo sprak ze, zoals altijd, wijze woorden, “de weinige dingen die we wel gedaan hebben, zoals toen we die eieren in de brievenbus van Kristels ex gingen droppen, dàt zijn de momenten die ik me herinner. Niet die 629 zaterdagnachten dat ik, met af en toe wel andere mensen, en elke week andere gesprekken, op café stond, want die avonden zijn in de grond allemaal dezelfde.” “Wat houd je dan in godsnaam tegen om die dingen te doen?” vroeg ik, eigenlijk een beetje onterecht verbaasd. “Tja, met wie doe je zo’n dingen?” kaatste ze de bal terug. Kristel en ik keken elkaar verbouwereerd aan. “Als er nu twee mensen zijn die in staat zijn dingen te doen waardoor de rest van de wereld hen voor gek verklaart, zijn wij twee het wel,” sprak ik in naam van haar en mezelf. “Aan wat had je zoal gedacht?” Enthousiast sprong ze recht. “Wacht, ik zal mijn lijstje eens voorlezen,” glunderde ze terwijl ze een beduimeld velletje papier uit haar portefeuille opviste. “Heb jij ook een lijstje van alle dingen die je nog wil doen??” gilde ik euforisch. “Hebben jullie een lijstje van dingen die jullie willen doen?”, kwam Kristel verbaasd uit de lucht vallen. Nu was het de beurt aan Karen en mij om haar aan te kijken alsof we het hoorden donderen in Keulen. “Jij niet dan?”, vroegen we gelijktijdig, er blijkbaar van uitgaande dat iedereen dat heeft, zoals iedereen ademt en eet. “Euhm…nee,” stamelde ze, “wat staat daar dan zoal op?” Karen begon een paar dingen van haar lijstje op te noemen, en al snel vonden we gierend een paar dingen die we best wel eens samen wilden proberen en spraken af om er werk van te maken.
Vier uur na aankomst, op het uur dat Karen al op het feestje had moeten zijn, en met nog maar één sigaret in mijn pakje, lieten we de open haard en de koude vloer – gek dat je de koude niet voelt als je zo opgaat in een gesprek – voor wat ze waren en gingen we huiswaarts met het voornemen om samen onze lijstjes af te werken.
“God, ik denk zo weinig na,” zuchtte Kristel in de wagen, “jullie hebben echt elk aspect van het leven al minstens één keer overdacht en er een gefundamenteerde mening over gevormd. Ik doe dat helemaal niet, ik leef gewoon mijn leven, punt.” “Houden zo,” orakelde ik als een oud wijs vrouwtje dat het gewicht van de wereld op haar schouders draagt, “het is net dat wat me soms zo ongelukkig maakt. Stel gewoon ook eens zo’n lijstje samen, ik weet zeker dat je nog honderden dingen vindt die je wil doen, en de volgende Ladies’ nite leggen we ze allemaal eens samen en gaan we gewoon lekker gek doen.” “Hihi ja, lijkt me wel lachen,” giechelde ze. Lachend bij het vooruitzicht dat we van 2009 het jaar van de gekke ideeën zouden maken, draaiden we mijn straat in. “Zeg,” zei ze, vlak voor ik uitstapte, “laten we afspreken dat we voortaan elkaar gewoon bellen als we er zin in hebben, zonder eerst te checken of de ander wel tijd heeft.” “Goed plan,” beaamde ik, “met welke levensbelangrijke dingen ben je nu eenmaal ’s avonds bezig die je niet even kan laten vallen voor een leuk gesprek? Alleen seks vind ik een geldig excuus eigenlijk.” “Ja dat is waar, maar jij werkt ook wel geregeld tot ’s avonds laat, met je shiften,” twijfelde ze al terug. “Nu ja,” herpakte ze zich snel, “als je er niet bent, neem je ook de telefoon niet op he. Logisch.”
En zo is het. Eigenlijk kan ik ’s avonds best wel wat tijd maken om beter op de hoogte te blijven van de levens van zij die er echt toe doen. En als ik er niet ben, dan neem ik niet op.