Categorie Archieven: Friends

Ge komt wat tegen vantijd. Zoals toen die keer, gewoon een uur geleden eigenlijk, dat ik, terwijl de sidekick weer een paar dagen in Amsterdam  vertoefde, op restaurant zat met een kerel die ik nog geen week kende, waarvan hij al een halve week bij ons woonde. Omdat mijn sidekick, die hij toch al wel de volle vijf weken kende, de meest logische leek om bij te crashen nadat zijn madame hem buitenzette.
Grappig vind ik dat, zo’n situaties. Of om het in marginale, oldskool Marinataal te zeggen: fars. Haha.

89847281

Sinds Maylen zich verdiepte in het spirituele wereldje, heeft hij een shitload aan nieuwe mensen leren kennen. Hier en daar zit er, zoals in alle lagen van de bevolking, eentje tussen wiens bedoelingen niet zo oprecht zijn als je op het eerste zicht zou denken, maar met de grote meerderheid onderhoudt hij een band die benijdenswaardig is. Een band waarbij je je als ‘gewone’ sterveling maar weinig kan voorstellen en waarvan ik niet eens weet of ik ooit ga ervaren wat het is om op zo’n niveau omringd te worden door mensen. Velen onder hen zijn vrouwen, en aangezien vrouwen nogal tuk zijn op op tijd en stond eens een praatje slaan, wordt er bij momenten nogal wat heen en weer getelefoneerd. Op zich heb ik daar geen probleem mee. Wij hebben dat soort relatie, en ik vind het eerder een luxe dat ik weet dat hij alles tegen mij zegt dan dat ik mij moet afvragen of hij er misschien stiekeme vriendschappen op nahoudt.
Sinds ik mij verdiepte in het blogwereldje, heb ik een shitload aan nieuwe mensen leren kennen. Sommigen blijven beperkt tot reacties en tegenreacties, anderen stappen over naar mail. Een paar zijn doorgedrongen tot het telefoon-Facebook-messenger niveau en een enkeling slaagde er – tot mijn grote plezier overigens, daar niet van – in zich tot in mijn huis en dagelijkse leven binnen te werken Sommige banden hebben een redelijk diep niveau bereikt, anderen blijven, hoewel heel aangenaam, toch eerder oppervlakkig. Onder hen bevinden zich uiteraard ook mannen. Mannen met vriendinnen, mannen met vrouwen. Mannen voor wie ik officieel niet besta wegens te moeilijk uit te leggen thuis, ook al gebeurt er niets wat niet kan of mag. Er wordt af en toe wat heen en weer getelefoneerd, maar niet voor ik eerst de regels heb gecheckt. Want ik ben de laatste die problemen wil veroorzaken binnen een relatie, de laatste die er zit op te wachten dat er ergens ten velde een vrouw een hoop onnodige pijn en achterdocht te verwerken krijgt omdat er een andere vrouw jolijtig wat wil bijkletsen met haar man. Ik check dus eerst, en leg me er bij neer dat het er in de meeste gevallen op neerkomt dat ik wacht tot de man in kwestie mij belt wanneer het hem past. Op zich heb ik daar geen probleem mee. Jammer dat ik niet zomaar even de telefoon kan pakken en er snel de stress van de dag kan afkwebbelen als ik daartoe de behoefte voel, en zelf zou ik me zo’n achter-de-rug relatie niet – meer, eerlijk is eerlijk – kunnen voorstellen, maar ik heb er wel – nog – alle begrip voor en respecteer het.
But I can’t help but wonder: is er ooit een vrouw geweest die zich heeft afgevraagd of het voor mij wel ok is dat ze mijn wederhelft eender wanneer opbelt? Denken die vrouwen even ver na als ik en zijn ze erop beducht niemand in de problemen te brengen of te kwesten of trekken ze er zich niets van aan? En zo nee, moet ik mij het lot van andere vrouwen blijven aantrekken of net als zij worden en meedogenloos worden tegenover de tere hartjes van mijn eigenste soortgenoten? Moet alle goedheid van mij komen maar komt de goedheid nooit mijn kant op?
There’s only one way to find out, het hem gewoon eens vragen. And that’s exactly what I’m gonna do, want ik vraag het mij al een hele tijd af. Eens benieuwd hoeveel vrouwen slagen voor de test. Call me a pessimist, maar ik vrees dat het er niet veel gaan zijn. Van je eigen soort moet je het hebben, zeggen ze dan.

Une soirée extraordinaire, dinsdag. En wel dankzij die rare, doch intrigerende vogel die claimde asociaal te zijn maar geen dag voorbij liet gaan zonder iets van zich te laten horen, en waarmee ik uiteindelijk dinsdag in een impulsieve bui op een terras belandde en daar bleef zitten tot alle andere tafels al afgeruimd en opgestapeld waren. Voor wie het zich afvraagt: ja, ge voelt u een beetje idioot dan, zo aan uw eiland op een verder leeg terras. Voor wie zich vunzige ideeën in het hoofd haalt: nee, het was niet die soort extraordinaire. Ik zou er in principe veel over kunnen zeggen, want op al die uren is er veel gezegd geweest natuurlijk. Maar tegelijkertijd kan ik er maar één ding over zeggen: respect. Hij voor mij, zo tastbaar dat ik het bijna uit de lucht kon plukken en vastnemen. Ik voor hem, omdat het gewoon niet anders kàn, met zo iemand. Iemand waarvan ik hoop dat hij nog een lange tijd in mijn leven blijft rondhangen, eigenlijk.
En zo hebben we er een derde exemplaar bij dit jaar, terwijl ik me niet kan herinneren hoeveel jaren er verstreken zijn zonder dat ik er ooit één tegenkwam. Ain’t I lucky. But isn’t it ironic.

Sure, ik was wel wat nieuwsgierig naar hoe zijn snode plannen voor gisteravond – iets met geen hotelverblijf voor die eerste nacht en een plaatselijke schone verleiden in ruil voor een gratis overnachting – waren uitgedraaid waarover hij me vanonder zijn palmboom had ingelicht. Echter, mijn nieuwsgierigheid rekte lang niet ver genoeg om er zelf naar te informeren. And what do you know, het bleek niet eens nodig. Vanmiddag werd ik automatisch - I’m telling ye, die man is stipter dan de NMBS - op de hoogte gesteld dat het plan feilloos gewerkt had.
I couldn’t help but wonder: willen en denken mannen verkeerdelijk dat dat ook maar een tikje jaloezie opwekt of wil dat zeggen dat je tot een ‘buddy’ of  ‘maatje’ met wie je zo’n streken deelt gepromoveerd bent? En dan zeggen ze van vrouwen dat die zich in bochten wringen om iets duidelijk te maken. Mannen zijn in hetzelfde bedje ziek, neem het van mij aan. Manicaanse griep zeg ik u, Manicaanse griep.

Tussen het
* al  twee weken op regelmatige basis bijna tegen de vlakte gaan
* eerst bijna niet kunnen eten en het weinige niet kunnen binnenhouden
* daarna de honger niet meer gestild krijgen met als gevolg nog meer flauwtes
* twee maanden niet slapen en moe zijn
* af en toe een hele kostbare zaterdag plat liggen en nog meer moe zijn
* slaappillen proberen en nog langer wakker liggen dan anders 
* de dag erna evengoed het verdoofde gevoel van de pillen hebben
door, valt er nog nét genoeg leuks te beleven om overeind te blijven. Zoals een onverwacht blitsbezoek morgen van Maylens beste vriend Stijn en zijn verloofde, a.k.a. onze toekomstige Spaanse buren, die net lang genoeg in het land zullen zijn om samen een échte Belgische friet te verorberen. Ik ben daar zo blij om dat ik er geen woorden voor heb, dus ik ga gewoon zwijgen nu. En hopen dat die friet er in blijft, morgen.

88527407

* Hoe mensen je zien
* Hoeveel je daarvan bewust naar voren schuift
* Hoeveel er strookt met de  – oude en/of nieuwe – realiteit
* Hoeveel mixed signals je de wereld instuurt
* Hoe en wat daaraan te veranderen indien nodig
* Hoe consequent te blijven in die signalen als het karakter niet consequent blijkt
* Hoe met dat gegeven voor zo weinig mogelijk verwarring zorgen bij de buitenwereld
* Hoeveel je overneemt van de mensen met wie je vaak optrekt
* Hoeveel daarbij nog van jezelf overblijft, zeker wanneer er permanent een significant other bij je inwoont
* Of de theorie klopt dat je van die inwoner minder overneemt dan van anderen
* In hoeverre je bepaalde karaktertrekken – in eerste instantie onbewust – uitvergroot wanneer je merkt dat diegene die je tegenover je hebt, die trekken vrij tot zeer duidelijk ook vertoont
* Hoe gek het is om te beseffen dat je dat doet
* Hoe al even gek het is als je ziet wie diegene is die je daarover – ook weer geheel onbewust – met de neus op de feiten drukt
* Hoe nog altijd gek het is om soms tijdens een gesprek met een min of meer vreemde meer te leren dan uit ontelbare gesprekken met bekenden
* Waarover andere mensen denken nadat ze uitgedacht zijn over wat ze nog moeten doen/kopen/opschrijven/….
* Of andere mensen het überhaupt nodig vinden om zich het hoofd te breken over zulks vermoeiends dan wel gelukzalig over de mogelijkheid beschikken om gewoon numb te gaan en in het nu te leven zonder hersenspinsels
* Of ik nog veel moeër kan worden dan dit

De ochtendfile, dat is hard labeur met al dat denken. En dan heb ik het nog niet eens over de nachtelijke uren, wanneer ik op kruissnelheid ben. Zucht.

En net dan komt er een deugddoende mail binnen. Van exact de juiste mens. Met exact de juiste woorden. Oef, ze bestaan dus tóch.

Kennissen, kameraden, vrienden. Niet altijd een even makkelijk gegeven. Vooral niet als je je in de fase bevindt nà grondige inwendige veranderingen en vòòr stevige geografische veranderingen.
Er zijn zij die niet meer bij de nieuwe versie van jezelf passen, en wat je daarmee aanvangt, is  niet zo’n moeilijk vraagstuk: afvloeiingen, op zijn economisch, niet meer of niet minder. De meesten vloeien trouwens quasi vanzelf af, zonder al te veel leed. De klik is weg, het wederzijdse begrip en gemeenschappelijke interesses zijn iets uit het verleden. Zonder veel spijt laat je samen iets los waar geen van beiden nog iets aan heeft.
Er zijn ook zij die nu je leven binnen komen, en dat is een ander paar mouwen. Er zitten een paar potentieel waardevolle exemplaren tussen, but I can’t help but wonder: hoeveel moet je – zonder de waarde van zij in deze categorie te willen afzwakken – nog investeren in iets wat al snel weer tot een vorig leven zal behoren? Hoe lang overleven vriendschappen die na verloop van tijd enkel nog op elektronische manier onderhouden worden? Want laten we een kat een kat noemen, de ’oh, dan kom ik eens langs hoor’-s waren niet van de lucht sinds de aankondiging van de verhuis, maar we weten allemaal wel dat, met veel geluk, slechts één procent van zij die dat uitriepen, ook effectief zal langskomen. Tot nog toe antwoordde ik steevast met een al dan niet fake smile dat ze altijd welkom zijn, maar even steevast dacht ik bij de ene helft dat ze gewoon verrukt zijn bij het idee van een gratis verblijf in een wereldstad zonder zich al teveel aan te trekken wie nu precies die gratis slaapplaats aanbiedt, en bij de andere helft dat ze gewoon het zoveelste voornemen uiten waar nooit iets van in huis zal komen. Het beruchte ‘we moeten nog eens afspreken’ of ‘ik bel je nog’, weet je wel. Ik wil ze wel eens zien, die massa’s die nu allemaal beweren langs te komen.
Het zijn niet eens zij waaraan ik me de laatste tijd het meest erger. Er blijkt immers plots een forse categorie vervelende etters op te staan. Er zijn zij die middenin een mail-, sms- of andere conversatie van de ene op de andere minuut de communicatie stopzetten en van de aardbol verdwijnen. Just like that, na soms jarenlang – al dan niet sporadisch – contact. Ik dank de heer op mijn blote knieën dat ik gezegend ben met een wel heel extreme uit het oog uit het hart houding. Lijsten allerhande - telefoon, msn, facebook, mail – worden kordaat ingekort. In geen enkel kader moet een mens blijven vasthangen aan die categorie, maar al helemaal niet in het kader van een emigratie. Er zijn binnen die ettercategorie ook zij die elke beweging die ik maak beginnen analyseren en onderzoeken als waren ze Horatio-met-de-stoere-oneliners die een moordverdachte tijdens een strenge ondervraging nauwgezet in de gaten houdt om hem op de kleinste fout te betrappen en zo te veroordelen. Elke uiting van mijnentwege moet een plaats krijgen, elk plan moet in vraag gesteld worden. Alsof ik de verhuis verzin, in het ene geval. Alsof het het domste, meest risicovolle idee is dat een mens ooit heeft bedacht, in een ander geval. Alsof ik nu werkelijk geloof dat emigreren betekent dat ik daar ga aankomen, me op het strand in dertig graden met een cocktail ga neerzetten en er pas veertig jaar later tussen zes planken weer afkom, uitgeruster dan ooit na vier decennia niets doen, klaar om nog wat verder te rusten tot in het oneindige. Alsof een mens maar één plan tegelijk kan hebben en de rest van zijn leven tot die tijd on hold moet zetten. Alsof ik, wanneer ik aankondig dat ik verhuis, ook nog diezelfde dag effectief het land verlaat, leerde ik vandaag nog in een ander, verbazingwekkend geval.
What is up with you people, vraag ik me dan af. Ben ik een nooit eerder geziene trendsetter omdat ik uitwijk en in afwachting daarvan gewoon nog het beste wil maken van de tijd die me hier rest? Ben ik een leugenaar omdat ik nu nog niet precies kan zeggen of het nu november, januari, dan wel februari zal zijn dat we vertrekken? Moet ik me nu ineens al maar laten afschrijven en afscheid nemen van iedereen in afwachting van de nog niet nader bepaalde datum van vertrek? Is het gangbaar dat diegene die emigreert daar rustig onder blijft en al de rest plots rare streken vertoont?
Kennissen, kameraden, vrienden. Niet altijd een even makkelijk gegeven. Maar je schijnt ze nodig te hebben, soms. Wat een brute pech zeg. Ik denk dat ik maar eens op zoek ga naar de kerel die zaterdagmiddag naar zijn vriend “Oh my God! Look at her, she’s amazing!” riep toen ik voorbij liep. Die zag tenminste meteen wat ik waard ben. Ha!

Amsterdam is…

 

patc1

 

patc2

 

patc3

 

patc4

 

patc5

 

patc7

 

patc8

 

patc9

 

patc10

 

patc11

a shitload of good stuff. Nuff said.

82747354

Vorige week zaterdag hebben beste vriendin Kristel, Karen en ik onze eerste ‘Ladies’ nite’ gehouden, nadat we in het verleden herhaaldelijk hadden verzucht hoe weinig tijd we hadden om vriendschappen te onderhouden, en dat we dat wel misten, die hechte band van een groepje vrienden. We scoren op dat vlak allemaal bijzonder slecht; zowel Karen als ik vinden dat we eigenlijk maar een paar vrienden hebben, en Kristel en ik noemen onszelf  ‘beste vriendinnen’ terwijl we elkaar hooguit drie of vier keer per jaar in levenden lijve zien, hoewel we maar op tien minuten van elkaar wonen. De eerste bijeenkomst, zo had ik beslist, zouden we alleen met de harde kern houden, vanaf volgende keer zouden er gastoptredens zijn van gemeenschappelijke vriendinnen. In het huis van die gast, of course, zodat die voor de drank en hapjes zou zorgen en wij er ons makkelijk vanaf kunnen maken. Mijn twee kernleden vonden dat weliswaar een regel die een beetje grof was, maar stemden er maar al te graag mee in. Die gasten hadden maar wat cooler moeten zijn zodat ze ook tot de harde kern mochten toetreden.
Halverwege de avond kwam het gesprek, uiteraard, op bouwen en verbouwen, iets wat eigen is aan onze leeftijd. Karen, die net het zwaarste op dat vlak achter de rug heeft en binnen luttele weken haar intrek neemt in haar nieuwe thuis, bood me wat van haar materiaal in bruikleen aan. Gisteren zou ik het gaan ophalen, zodat ik vanaf donderdag, het gezegende begin van de tien laatste dagen vakantie van het jaar, eindelijk weer aan de slag kan in mijn eigen crashbase. Een paar uur voor vertrek besefte ik echter dat mijn blikken doosje op wielen wel eens veel te klein zou kunnen uitvallen voor al dat grof geweld, en dus deed ik iets wat ik anders nooit doe; de hulp van vrienden inroepen. De hulp van Kristel meer bepaald, wiens man – god, ga ik daar ooit aan wennen dat dat kind getrouwd is? – een uit de kluiten gewassen bedrijfswagen bezit. 
In de late namiddag gingen we op pad, snel even het materiaal inladen en weer naar huis, want ik had maar één, vrij volle, weekenddag, Kristel had het ook druk-druk-druk en Karen moest naar een feestje en eerst nog verzinnen wat en waar ze zou eten. Na een rondleiding in Karens nieuwe huis, bood ze ons iets te drinken aan, voor snel één glaasje hadden we nog net tijd. Wegens gebrek aan centrale verwarming en meubels, installeerden we ons met plastic beker en sigaretten op de grond voor de kachel en begonnen ons traditionele gefilosofeer. Karen, psychologe van beroep, is daar namelijk een kei in, in dat filosoferen over de zin en onzin van het leven, en alles onder een wel heel kritische loupe houden. Zelf kan ik er ook wat van, en als het onder haar wijze begeleiding is, kom ik telkens weer tot nieuwe inzichten, gaande van absurde futiliteiten over levensveranderende inzichten tot heuse aha-erlebnissen. Zet ons samen en er blijft geen onderwerp onberoerd. Naarmate haar pakje zienderogen slinkte omdat Kristel eigenlijk al een paar jaar gestopt is maar nu toch weer zin had in een sigaret, hadden we het dan ook, het ene moment met de nodige sérieux, het andere moment gierend van het lachen, over relaties, seks tussen deurstijlen, de liefde, wat we anders zouden aanpakken mochten we herbeginnen, het feit dat Kristel en ik vroeger na acht uur per dag naast elkaar op de schoolbanken ’s avonds nog makkelijk een paar uur met elkaar telefoneerden maar nu elkaar eerst smsen om te checken of het wel past dat we bellen, de dingen waarvan we spijt hadden, affaires, de dingen die we misschien nog konden rechtzetten, het gebrek aan one night stands, het leven volgens de gangbare normen, de zin of onzin van luxe en rechte muren, de keer dat Karen dacht dat ze dood was maar in werkelijkheid gewoon was flauwgevallen na het roken van ze green en gemiste kansen. 
Van dat laatste had Karen er wel een paar, met name kattekwaad uithalen, liet ze ons weten toen Kristel en zij na haar lege pakje overgingen op mijn, vlak voor vertrek gekochte, pakje sigaretten. Tien jaar na ons afstuderen van het humaniora, heeft ze er, zo vertelde ze ons gisteren voor het eerst, nog steeds spijt van dat we dat toen niet meer gedaan hebben. Gewoon gek doen, de dingen doen die in een opwelling bij ons opkwamen, hoe gekker hoe beter. “Want,” zo sprak ze, zoals altijd, wijze woorden, “de weinige dingen die we wel gedaan hebben, zoals toen we die eieren in de brievenbus van Kristels ex gingen droppen, dàt zijn de momenten die ik me herinner. Niet die 629 zaterdagnachten dat ik, met af en toe wel andere mensen, en elke week andere gesprekken, op café stond, want die avonden zijn in de grond allemaal dezelfde.”  “Wat houd je dan in godsnaam tegen om die dingen te doen?” vroeg ik, eigenlijk een beetje onterecht verbaasd. “Tja, met wie doe je zo’n dingen?”  kaatste ze de bal terug. Kristel en ik keken elkaar verbouwereerd aan. “Als er nu twee mensen zijn die in staat zijn dingen te doen waardoor de rest van de wereld hen voor gek verklaart, zijn wij twee het wel,” sprak ik in naam van haar en mezelf. “Aan wat had je zoal gedacht?” Enthousiast sprong ze recht. “Wacht, ik zal mijn lijstje eens voorlezen,” glunderde ze terwijl ze een beduimeld velletje papier uit haar portefeuille opviste. “Heb jij ook een lijstje van alle dingen die je nog wil doen??” gilde ik euforisch. “Hebben jullie een lijstje van dingen die jullie willen doen?”, kwam Kristel verbaasd uit de lucht vallen. Nu was het de beurt aan Karen en mij om haar aan te kijken alsof we het hoorden donderen in Keulen. “Jij niet dan?”, vroegen we gelijktijdig, er blijkbaar van uitgaande dat iedereen dat heeft, zoals iedereen ademt en eet. “Euhm…nee,” stamelde ze, “wat staat daar dan zoal op?” Karen begon een paar dingen van haar lijstje op te noemen, en al snel vonden we gierend een paar dingen die we best wel eens samen wilden proberen en spraken af om er werk van te maken.
Vier uur na aankomst, op het uur dat Karen al op het feestje had moeten zijn, en met nog maar één sigaret in mijn pakje, lieten we de open haard en de koude vloer – gek dat je de koude niet voelt als je zo opgaat in een gesprek – voor wat ze waren en gingen we huiswaarts met het voornemen om samen onze lijstjes af te werken.
“God, ik denk zo weinig na,” zuchtte Kristel in de wagen, “jullie hebben echt elk aspect van het leven al minstens één keer overdacht en er een gefundamenteerde mening over gevormd. Ik doe dat helemaal niet, ik leef gewoon mijn leven, punt.” “Houden zo,” orakelde ik als een oud wijs vrouwtje dat het gewicht van de wereld op haar schouders draagt, “het is net dat wat me soms zo ongelukkig maakt. Stel gewoon ook eens zo’n lijstje samen, ik weet zeker dat je nog honderden dingen vindt die je wil doen, en de volgende Ladies’ nite leggen we ze allemaal eens samen en gaan we gewoon lekker gek doen.” “Hihi ja, lijkt me wel lachen,” giechelde ze. Lachend bij het vooruitzicht dat we van 2009 het jaar van de gekke ideeën zouden maken, draaiden we mijn straat in. “Zeg,” zei ze, vlak voor ik uitstapte, “laten we afspreken dat we voortaan elkaar gewoon bellen als we er zin in hebben, zonder eerst te checken of de ander wel tijd heeft.” “Goed plan,” beaamde ik, “met welke levensbelangrijke dingen ben je nu eenmaal ’s avonds bezig die je niet even kan laten vallen voor een leuk gesprek? Alleen seks vind ik een geldig excuus eigenlijk.” “Ja dat is waar, maar jij werkt ook wel geregeld tot ’s avonds laat, met je shiften,” twijfelde ze al terug. “Nu ja,” herpakte ze zich snel, “als je er niet bent, neem je ook de telefoon niet op he. Logisch.”
En zo is het. Eigenlijk kan ik ’s avonds best wel wat tijd maken om beter op de hoogte te blijven van de levens van zij die er echt toe doen. En als ik er niet ben, dan neem ik niet op.