Zo’n weekend on the countryside, dat is altijd boeiend. Na weken van mezelf af te vragen waar dat telefoongeluid toch vandaan kwam elke avond als we in bed lagen met het raam open, verschoof de vraag zich gisterenmiddag naar waarom de buurman toch om de halve minuut op één van zijn 3562 honden riep. Mijn beste redenering kwam niet verder dan dat hij die hond had uitgekozen als circushond en hem kunstjes aan het leren was. Dat de telefoon terwijl maar bleef rinkelen en die twee geluiden afgewisseld werden door het geclaxonneer van een brommertje vond ik merkwaardig, maar evengoed ging al mijn aandacht naar het roepen op die vierpoter die ergens een peak schijnt te hebben. Aangezien ik iets verderop in de rij stond dan mijn sidekick toen de hersens werden uitgedeeld, was hij diegene die wat later ontdekte wat er echt gaande was: de boerderij achter ons heeft een nieuwe aanwinst, en wel in de vorm van een papegaai.
Er komt hoogstwaarschijnlijk een dag dat ik me er dood aan ga ergeren, maar voorlopig vind ik het gigantisch hilarisch. Ik deed wat ik nog wel eens gedaan heb, en kroop op stoelen, sloop tot in de tuin van de buren en ging boven uit het raam hangen tot ik de nieuwe bron van mijn plezier in het vizier kreeg. Dit was namelijk te goed om te missen; na wat grondiger onderzoek bleek namelijk dat hij effectief tot op het pefecte af de nasale stem van zijn baasje imiteert om op de hond te roepen, hij bootst het geluid van hun telefoon na én heeft de beleefdheid om ook nog op te nemen zoals hij dat leerde van zijn baasje, doet alles wat claxonneert na én roept nog iets wat me aan het twijfelen brengt. Eerst dacht ik dat hij koekie riep, maar het zou weleens kunnen zijn dat ook ik een stichtend voorbeeld ben voor mijn nieuwe grijs met roze gevederde vriend wanneer ik ’s avonds op de katten roep. Eén van onze katten komt namelijk altijd wanneer je ook maar iets roept wat van ver in de buurt komt van haar naam, en Poekie is daar één van de vele varianten van. Hij begrijpt de eerste letter dus verkeerd, en mijn stem heeft hij ook nog niet helemaal onder de knie, maar verdorie, als het dat is wat hij probeert na te roepen, ga ik mij nog kostelijk amuseren deze zomer. Want, u raadt het al, ik heb het plan opgevat om nu elke avond buiten iets – ik ben me nog aan het bezinnen over wat precies – te gaan roepen, net zolang tot hij ermee weg is. Ik overweeg de naam van onze hond, in de hoop dat die papegaai hem dan voortaan tot de orde roept als hij terugblaft – jaja, het zijn die onverlaten die altijd eerst beginnen, die van ons antwoordt gewoon, zo braaf is hij wel – op de boerderijhonden. Waarom zelf iets doen als je een ander zover krijgt om het gratis te doen, nietwaar.
Vanochtend was het iets minder leuk op den buiten. Ik kwam namelijk nog net op tijd om te zien hoe een muis kwam binnen gelopen. Als u denkt dat we nog in de tijd leven dat die viezeriken via kieren en gaatjes binnengeslopen komen, think again. Tegenwoordig komen ze zoals de groten gewoon via de deur binnen. Doe alsof je thuis bent, zou een mens ze bijna zeggen, met hun nieuwe goede manieren. De kleine sluwerd dook meteen onder een kast, maar toen ik even later ging kijken na een gil te slaken waarmee ik zelfs mezelf deed schrikken, was hij uiteraard als bij toverslag onzichtbaar geworden. Ofwel was hij de volgende kamer binnengetrippeld, waar de fretten hun vaste verblijfplaats hebben. Mijn vermoeden werd bevestigd toen ik zag hoe die twee tekeer gingen; als ze konden, hadden ze de tralies van hun kooi kapot gerukt – iets wat ze eigenlijk elke dag weleens trachten te doen, als we ze vijf minuten later dan gewoonlijk loslaten – en als ik nog een paar plaatsen verder in de hersenuitdeelrij had gestaan, zou ik gezworen hebben dat ik ze “Er zit een muis in huis! We hebben hem gezien! Achter de kast! Hebben hebben hebben!” hoorde roepen. “De fretten erop loslaten?” suggereerde Maylen nadat ik little Stuart voor de tweede keer onder de kast zag duiken. Of correcter: nadat ik onwillekeurig weer een gil slaakte en op mijn kop kreeg omdat ik het dier op die manier afschrikte waardoor we hem zeker nooit te pakken zouden krijgen. “Euhm nee, ik heb geen zin in een bloedbad,” verwees ik dat idee naar de prullenmand. Na nog eens een jachtpoging op handen en voeten en met borstelsteel, waarbij mijn One me bedenkelijk aankeek omdat ik hem op het hart drukte vooral zijn mond goed dicht te houden, staakten we onze zoektocht. Als hij zichzelf kan binnenlaten, moet hij maar zien dat hij zichzelf weer kan buitenlaten ook. Punt.
En ja, ik heb vanavond extra luid op de katten geroepen. Je weet maar nooit dat er een papegaai meeluistert.