In de donkere januarimaand nam ik, gebroken en onderuit gehaald door datgene wat me al bijna tien jaar rechthield, twee voor mijn doen héél dappere beslissingen. Ik zou eindelijk een maand onbetaald verlof nemen en me niet langer laten tegenhouden door een ‘wat gaan de mensen daar van denken, ik heb niet eens kinderen als excuus’. Ook het feit dat het financieel een behoorlijk domme zet is, waarvan ik minstens nog tot september de gevolgen zal dragen, kon me er niet van weerhouden mijn aanvraag in te dienen. Dit was wat ik wou, en dit zou ik doen. Punt. Ook die andere lang gekoesterde droom, het oplossen van een aanslepend gezondheidsprobleem, zou ik omzetten in werkelijkheid. Ik had genoeg afgezien, en ik had het recht om de dingen te doen die voor anderen zo vanzelfsprekend zijn dat ze er, en daar durf ik mijn armtierige fortuintje op te verwedden, nog nooit een seconde over nagedacht hebben in hun hele leven, maar waarvan ik me niet kan voorstellen wat het moet zijn, zo’n zorgeloos leven.
Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad om beiden samen te doen vallen, maar ik hield het doodsbange been stijf, en nu is het eindelijk zover. Vanmiddag trok ik voor een maand de werkdeur achter me dicht, en wanneer iedereen morgen aan de lunch zit, stap ik op de eerste van drie treinen, vurig hopend dat deze reis niet hetzelfde verscheurende einde krijgt als mijn vorige uitstap. Tegen de tijd dat ik anders aan het avondeten zit, stap ik doodsbenauwd op het vliegtuig, en op het moment dat iedereen languit voor de televisie zit of zich klaarmaakt voor een avondje stappen, zet ik voet aan grond en gaat het rechtstreeks naar het ziekenhuis voor de eerste x-rays. Waar ik op zaterdag anders op dat uur opsta of boodschappen doe, komt dit weekend datgene wat nu al een hele week spijsverteringsproblemen van angst veroorzaakt. Maar eens dat achter de rug – vermoedelijk een vijf- à zestal lange uren later - kan ik al een eerste keer heel opgelucht ademhalen, want dan heb ik meteen al het zwaarste achter de rug. De rest van de week word ik, onderbroken door enkele kortere ziekenhuisbezoekjes, entertaind door de ouders, die gisteren al ter plekke waren. En dat het entertainment wordt, dat staat vast. Zo lieten ze me gisteren al weten dat ze al een uitgehongerde hond hebben waarover ze zich ontfermen en dat ze “wel tien kilometer gestapt hebben” want ze hadden de lokale munt nog niet afgehaald en dus geen geld om de bus te betalen. Hoe ze dan die hond willen onderhouden zonder geld, wil ik nog wel eens zien. Bovendien kost een pakje sigaretten ginds maar één euro. Feest. Marlboro Menthol kennen ze echter niet. Minder feest. Maar ach, het is er 25°C. Dat ik de koffers gepakt én meegegeven heb met kledij afgestemd op het kwakkelweer dat ze ons hier voorschotelen, is maar een detail.
Dat het niet de maand wordt waarop ik gehoopt had - eentje van zalige eenzame opsluiting, een paar spoedcursussen, me creatief uitleven en kijken of het samenwerken met The One een fulltime optie zou kunnen worden – maar ze daarentegen begint met de confrontatie met één van mijn grootste angsten, maakt dat het aftellen geen leuke bezigheid was. In plaats van het gehoopte ‘yes, yes, yes!!!’ was het vanmiddag dan ook eerder een ’shit, het is zover, ik wil niieett!!!’. ‘I’m a freaking nutcase’, dacht ik gisteren nog, ‘wat ga ik in godsnaam vijf landen verder van angst liggen sterven, wat bezielde me toch weer om dit soort beslissing te nemen?’ Maar dat is muggenzifterij. Want als alles goed gaat, heb ik na volgende week – geen idee wanneer ik terug zal zijn – een droom verwezenlijkt. En dan is het tijd voor droom nummer drie. Als alles goed gaat. Als. Slik.