Een mens zou eraan beginnen twijfelen, maar er lopen wel degelijk hier en daar nog mooie mensen rond op deze aardkloot, en wij hebben er twee gevonden. Twee Nederlanders meer bepaald, die in de buurt wonen van waar ik mezelf over twee weken met een heel bang hart zal gaan laten fiksen. Het oorpsronkelijke plan, op het vliegtuig stappen, een weekje daar op hotel en dan met het vliegtuig weer terug, is lichtjes gewijzigd. Mijn ouders, enerzijds beruchte wereldreizigers, anderzijds bezorgd om hun dochter moederziel alleen naar een land met een ietwat louche reputatie te laten vertrekken om daar een medische procedure te laten ondergaan, springen namelijk volgend weekend al gezwind in hun mobilhome om eerst wat rond te trekken en me vervolgens de vrijdag erna netjes op tijd op te pikken van de luchthaven, wanneer ik, nog niet in pensioen en dus met minder tijd, met het vliegtuig aankom op de gevreesde bestemming.
Aangezien er, dankzij hun rijdende huis, geen beperkingen zijn wat betreft bagage, heeft mijn moeder wat speurwerk verricht op het internet en een paar geëmigreerde en bereidwillige Nederlanders gevonden, die ons dit weekend onderstaande mail stuurden:
“Het is een heel lief en goed idee van je om wat pakketjes mee te nemen, want de mensen zijn hier arm. Ook voelen ze nog steeds dat de hele wereld tegen hen is en dat ze overal de schuld van hebben gekregen. Daarom zijn kadootjes meer dan alleen kadootjes.
Hier wonen veel arme mensen, zigeuners (Roma) en vluchtelingen. Gemiddelde inkomsten per gezin per maand zo’n 200 euro, mensen met pensioen zelfs nog minder. Hoe ze kunnen rondkomen hier vragen wij ons altijd af. In de grote stad valt de armoe minder op dan hier op het platteland.
Er zijn een paar mogelijkheden om iets uit te delen. Ten eerste kan je ervan uitgaan dat je onderweg door het land zeker wel bestemmingen tegen komt. Maar je bent in een vreemd land en misschien onzeker om zelf een bestemming te vinden.
Ik besprak jullie idee hier met mijn petekind uit het dorp, die zelf arm is. Zij schudde zo direct al de namen van 12 hele arme families uit haar mouw met babies (dat vanwege de dekentjes) en bood aan om mee te gaan om aan jullie de weg te wijzen (zou ik natuurlijk ook mee gaan). Ook oude mensen die onder hele sobere omstandigheden moeten leven zijn in dit dorp volop aanwezig. Ik ga zelf ook wel eens wat brengen.
Mijn petekind zei verder dat er in het naburige hoofddorp een Sociaal Centrum is, dat de allerarmsten bijstaat. Zij vertelde dat deze mensen zeker ook een goede plek voor jullie pakketten weten.
Wij redden ons prima in het Servisch inmiddels en dat zou jullie misschien ook van pas kunnen komen, als het nodig is.
Op internet hebben we het adres van een weeshuis gevonden, mochten jullie de dekens en knuffels daar willen brengen.
Kortom mogelijkheden genoeg en als jullie hier in het dorp iets willen doen, kunnen jullie op onze assistentie rekenen.
Tot slot, last but not least, zijn jullie natuurlijk ook welkom bij ons. Camper kan in de voortuin.”
Kijk, dít vind ik wondermooi; een paar mensen die wildvreemde Belgen willen helpen met het uitdelen van spullen die voor ons bijna waardeloos zijn, maar voor de allerarmsten aldaar een godsgeschenk blijken te zijn, en op de koop toe nog voorstellen om met ons hele hebben en houden een paar dagen in hun voortuin te verblijven. Iets wat we niet kunnen laten liggen, dus ben ik aan het verzamelen geslagen. Ik schaam me er een beetje voor, maar ik had amper een uur nodig om drie dozen te vullen met kledij waarin wij nog niet dood willen gevonden worden wegens so nineties, haarproducten die ik, als rotverwend West-Europees nest na één keer gebruiken niet goed genoeg bevond en ergens in een vergeethoekje stopte om prompt naar de winkel te hollen voor een ‘beter’ product, dekens, schrijfgerei, knuffels, kartonnen ladebakjes die nutteloos in de kast staan ‘omdat ze niet meer passen bij het huidige interieur’, schoenen en handtassen die ‘al vijf seizoenen echt niet meer kunnen’ en dies meer. Schamen moesten we ons – jaahaa, ik niet alleen, in jullie kasten is ook wel wat te vinden durf ik wedden -, diep, diep schamen. Amper enkele landen verder zijn er mensen die moeten rondkomen met wat wij hier op een maand oproken, oprijden aan benzine of uitgeven aan, laat ons zeggen, een broek en een paar schoenen.
Ik hoop dat ik het ginds toch een klein beetje kan goedmaken. Ik hoop, met dank aan die twee lieve Nederlanders, door te dringen tot de kern van de bevolking in het na-oorlogse gebied waar ik zal vertoeven, en weeshuizen en andere arme families te kunnen bezoeken, mijn dozen open te maken en hen te kunnen geven wat ze zo nodig hebben maar zelf niet kunnen kopen. Een broek, zodat de kinderen netjes naar school kunnen. Een paar sokken, zodat ze volgende winter geen koude voeten meer hebben. Een pakje rijst, zodat een moeder eens een echte warme maaltijd op tafel kan toveren voor het hele gezin. Een deken of een knuffeldier voor een kindje dat zonder toekomst zijn jongste jaren slijt in een weeshuis. Een paar pennen die een juf kan uitdelen aan haar leerlingen.
En als mijn dozen leeg zijn, gewoon wat menselijke warmte. Ik denk niet dat ik daarvoor hun taal moet kunnen spreken.




