Who what where
Reminiscin’
I taw a putty tat
- @boskabout rofl!!!! :) 4 hours ago
- Oh shit, ik wou eigenlijk mager zijn voor morgenmiddag, glad vergeten. Bummer. 4 hours ago
- Hoog tijd om de tiramisu eens naar binnen te werken. 9 uur is daar een schoon uur voor. 4 hours ago
- Jeuj eindelijk weekend!!!! 1 day ago
- Of hoe info lospeuteren bij de ene IT-er om de andere IT-er in de netten te strikken, booyaah! 1 day ago
Cloud 9
Maandelijkse archieven: februari 2009
Wat heb ik spijt dat ik maandag niet op de weegschaal ben gaan staan. Dan zou ik weten hoeveel kilo’s een mens kwijt is wanneer hij drie dagen niets eet en het laatste wat binnen ging nog altijd bezig is zich sputterend en vechtend een weg naar buiten te banen.
Wat ik ondertussen wel weet, is dit:
* Motilium Instant maakt het erger in plaats van beter
* 36 uur onafgebroken wakker zijn – te beginnen om half 5 op maandagochtend wegens vroege shift – omdat je maag je de kans niet geeft in te dommelen is zwaar klote
* mijn voorkant lijkt gekrompen want ik kan niet meer rechtop lopen omdat al mijn ingewanden trekken en sleuren
* na al het hangen van de eerste dagen- horizontaal gaan laat dat wat er nog overblijft in je maag de verkeerde kant oplopen en rechtop zitten zet er dan weer teveel druk op en is gewoon ronduit vermoeiend – doet elke spier pijn
* op dag drie van mijn persoonlijke, vervroegde vastenperiode lukt het al wel om recht te zitten, maar niet langer dan een uur want dan val je flauw
Een voedselvergiftiging, dat doe ik dus nooit meer, daar is nu eens niets leuks aan.

Op een grauwe, deprimerende middag op het werk – bestaan er op die plaats andere soorten dagen? – een tijdje geleden, kwam er via de gsm plots een lichtpuntje binnen: een sms van Blondine. Wat begon als een conversatie over reizen naar New York eindigde in een voorlopige afspraak om samen naar de Pussycat Dolls te gaan. Vrouwenlogica, quoi. Bij een eerste check van prijzen en beschikbaarheid bleek alles dik in orde. Tot we de dag erna effectief de tickets wilden bestellen en bleek dat het concert uitverkocht was. Na een frustrerende zoektocht op e-bay waar de prijzen de pan uit swingden, besloten we het over een andere boeg te gooien; we zouden gewoon op de bewuste avond naar de place to be gaan en onze gebundelde vrouwelijke charmes in de strijd gooien om aan gunstig afgeprijsde tickets te raken. Ideeën als flashy cowboyhoeden, trendy zonnebrillen en sterke drank in bruine papieren zakken om het allemaal dat hippe, Amerikaanse tintje te geven, gingen heen en weer, en we konden nauwelijks wachten tot het eindelijk zover was. Blondine en Nina op avontuur, dat zagen we wel zitten.
Vorige vrijdag was het D-day. Nadat Blondine zich in de supermarkt als een waanzinnige alcoholiste met een voorraad booze een weg naar de kassa had gebaand, daarbij niets of niemand die haar pad kruiste ontziend, en net voor het afrekenen nog snel een paar zakken paaseieren had meegegritst - ze is niet gek, ze moest gewoon haar bus halen en is chocoladeverslaafd, maar ik kan me wel een voorstelling maken bij hoe dat tafereel er moet uitgezien hebben voor omstaanders - ging het richting Vorst. Alwaar we op de harde realiteit botsten. Die zwarte markt, dat is tough business. Een heuse groep doorgewinterde verkopers deden de tickets vlot voor 75 euro per stuk – originele prijs 42 euro – van de hand. Blijkbaar hebben twintigjarigen een wel heel vetbetaalde stundentjob tegenwoordig, of rijke ouders die hen rotverwennen, want het geld werd zonder aarzelen op tafel gelegd. Meer dan eens zagen we hoe het piepjonge grut zonder verpinken 150 euro uit de al dan niet fake Vuitton opdiepte voor twee kaartjes richting Doll Domination. Er werd onder de verkopers onderling onderhandeld, telefoontjes werden gepleegd, en telkens wanneer de tickets uitverkocht waren, kwam er ineens via dubieuze weg weer een voorraadje nieuwe exemplaren bij die in een mum van tijd aan de woekerprijzen weer de deur uitgingen.
Wij hadden echter andere ambities: ónder de originele prijs duiken in plaats van het dubbele tevoorschijn toveren. De Pussycat Dolls zijn wel leuk, maar nu ook weer niet geniaal. De eerste waarvoor ik zoveel geld wil bovenhalen, moet trouwens zijn eerste noot nog zingen, want niemand is me zoveel geld waard. Na wat onderhandelen werd ons al snel duidelijk dat we een stevige portie bluf en een dosis geduld aan de dag zouden moeten leggen om onze ambities waar te maken. Maar geen nood, we wisten hoe we een man moesten bespelen, wat na een fles drank nog vlotter gaat, en van bluffen en ons ergens zo goedkoop mogelijk binnenslijmen hebben we samen al een indrukwekkende lijst ervaringen op het palmares. Met het voorprogramma nog maar net begonnen, wisten we dat we nog een uurtje geduld zouden moeten uitoefenen om de verkopers wanhopig te maken. Het was een risico, want de kans dat ze van al hun tickets afraakten en we met lege handen naar huis zouden terugkeren, was allesbehalve ondenkbaar, maar zoals mijn vader altijd zegt: het leven is aan de durvers. En dus bestelde de blonde helft van dit durversduo zeer inventief een pakje friet, meer om ons een nonchalante, geduldige houding te geven dan uit honger, en in afwachting besloten we in een mix van Nederlands, Frans en Engels te socializen met één van de verkopers. De vriendelijke toon van het gesprek dat eerst over Marokkaans eten ging – wie had ooit gedacht dat iets banaals als een paar frieten het ijs zou kunnen breken? – ging over naar bloedserieus onderhandelen en argumenteren. Het voorprogramma was immers al bezig, dus de tickets waren zijn volledige prijs niet meer waard, en als verkoper kan je beter een deel van de prijs terugkrijgen als niet van je tickets afraken, stelden we zelfzeker. Het tegenargument, dat je als verkoper liever winst dan verlies maakt, klonk ons maar zwak in de oren op dat uur van de avond, en wat later waren we verwikkeld in een weddenschap om twee van de gegeerde tickets. Wat we verloren, en me nog maar eens leerde om altijd op je eerste idee af te gaan. Lesson learnt.
Ondertussen stonden de zingende dames binnen op het punt om hun opwachting te maken, en stond de stand op één verkoper, twee tickets en twee potentiële kopers. Dit was het moment, wisten we, nu was het hard tegen hard. En we gingen hard. De verkoper liep heen en weer tussen ons en zijn collega-verkopers/concurrenten om te overleggen, pleegde nog wat telefoontjes, slingerde ons geagiteerd prijzen naar het hoofd die we onmogelijk konden aanvaarden en werd daarbij zienderogen zenuwachtiger met de seconde. Wij bleven al die tijd ijzig kalm, en toen hij op het punt stond om akkoord te gaan met onze streefprijs, namen we het ultieme risico om er op het laatste moment nog 10 euro af te snoepen. Twee minuten later hadden we de tickets na er uiteindelijk nog 5 euro vanaf gesnoept te hebben - in totaal 70 euro onder zijn oorspronklijke vraagprijs – in handen en stortten we ons voldaan in het feestgedruis. Onderhandelen tough business? We can handle tough business baby, en we waren, allebei gebukt onder wat mentale besognes, nog niet eens op ons best. Just wait till we’re back in full force, booyaah!
Ik ben de eerste om toe te geven dat ik een bodemloos vat ben wat betreft rare nieuwe ziektes uitvinden, hoe absurder, unieker en van-de-pot-gerukter hoe beter. Daarbij ben ik ook de eerste om daar zelf bij momenten eens stevig mee te lachen. Vanuit dat opzicht vind ik dat ik het recht heb om af en toe ook eens te lachen met de productiefouten in andermans hersenpan. As a matter of fact, ik heb dat net gedaan, en nog geen klein beetje. Ik hoop natuurlijk dat de mens in kwestie een oplossing vindt voor het probleem, maar ik vrees dat hij dat hier, waar hij vermoedelijk gestrand is, niet gevonden heeft, hooguit een beetje troost voor het feit dat hij niet de enige is in freakville. Ik vond overigens een oplossing voor mijn sokkenprobleem; sokken waar al L en R opstaat, zodat ik zelf niet telkens moet uitzoeken welke sok ik tot linker- of rechterexemplaar had getraind, want dat wordt wat vaag na een tijd. Mijn levenskwaliteit, ze gaat er met rasse schreden op vooruit dezer dagen, en dan nog wel dankzij Hema. Nou moe.
Maar terug naar het probleem van die arme stakker die hier heil zocht, want dat is ook behoorlijk serieus: “mijn tenen verdragen elkaar niet”. Het moet wat zijn, zo’n tien kleine krioelende wormpjes aan het uiteinde van je lichaam die heelder dagen op elkaar lopen foeteren. Een kabaal dat dat moet geven! En een affront, als ze weer eens en plein public in woede ontsteken en je ze het zwijgen niet opgelegd krijgt.
En ik die dacht dat ik alles gezien had na de aflevering van gisteren over mensen die getrouwd zijn met de Eiffeltoren maar het arme ding bedriegen door seks te hebben met een hek in een kerk. Sjonge jonge, het is me wat.

Supervos, Johan toch, Supervos. Waar haalt een mens het. Tranen met tuiten – welke mens heeft dàt waar gehaald? – heb ik al lachend geweend. Supervos. Allee jong, hoe is het mogelijk. Sùpervos. Ha!
[Sinds mijn week Lapland zat ik hopeloos achter met mijn feuilletonskes, maar gelukkig was daar toen de griep om een inhaalbeweging te maken. Sinds gisteren weet ik ook eindelijk wie de winnaar is.]

Aangezien ik niet veel anders kan dan tv kijken, lezen en laptoppen, ben ik eindelijk begonnen in het boek over hoog sensitieve personen. Kritisch als ik ben, blijf ik altijd wat op mijn hoede met psychologische testen en omschrijvingen, want ik ben van mening dat, als je je ergens in wil vinden, dat altijd wel op één of andere manier lukt. Ieder van ons is complex genoeg om zichzelf in bijna elke karaktertrek wel een beetje te herkennen. Of ik effectief een HSP ben, is allesbehalve zeker, ik zal evengoed in mindere of meerdere mate aan andere karakteristieken en ziektebeelden voldoen, en ik heb hierover geen arts of psycholoog geraadpleegd, en misschien is het ook niet zo belangrijk. Wat voor mij veel belangrijker is, is dat het boek, terwijl ik nog maar halfweg ben, zijn belofte al nakomt: het plaatst je hele leven in een nieuw kader, het doet je anders naar jezelf kijken dan je tot nog toe deed. Mijn hele leven is in de laatste uren helemaal aan mij voorbijgegaan en het trefwoord dat overduidelijk primeerde was angst. Niet dat dat een nieuw gegeven is, verre van, maar ik denk anders over mezelf en mijn leven dan toen ik vanochtend, en alle andere ochtenden in mijn leven, opstond. Uitgaande van de kenmerken van HSP’s, die overweldigd worden door alle prikkels die het dagelijkse leven inhoudt – geluiden, licht, mensen, geuren, beweging, stilte, nieuwe dingen, communicatie, niet-communicatie,… – is de wereld één grote, gevaarlijke dreiging.
En dat is de wereld inderdaad al altijd geweest voor mij, besefte ik toen ik blad na blad verder las. Ik zag mezelf weer als kleine uk, met mijn eerste rode boekentasje met een Vitabis – bestaat dat nog? – in, helemaal niet klaar om na twee jaar als enig kind in een veilig nest te hebben doorgebracht ineens te worden geconfronteerd met andere levende wezens. Hoewel dat veilig ook met een korrel zout te nemen is, aangezien mijn moeder er niet veel beter aan toe was als ik, en ik er stellig van overtuigd ben dat haar depressies, stress en bijhorende zenuwachtige, strenge en humeurige gedrag van weleer een heel zware impact op mij hebben gehad, want kinderen pikken zoveel meer op dan volwassenen in eerste instantie denken. Ik zag het niet alleen, ik voelde het ook weer, dat angstige, ontredderde gevoel. Ik zag mezelf weer stilletjes in een hoekje op de speelplaats staan, want al dat geloop en gegil van de andere kinderen was me wat teveel, en al die acrobatische kunstjes en voetballen waren me te gevaarlijk. Ik zag mezelf weer elke ochtend in tranen en met verschrikkelijke buikpijn op de schoolbus stappen, elke keer weer hopend dat mijn meter, die me voor en na school opving, die dag ging zeggen dat ik niet meer hoefde te gaan. Dat ik thuis in de zandbak mocht blijven spelen, en met de dieren, want daar hield ik wel van, van dieren, veel meer als van mensen. Of dat ik, eens ik over die vaardigheid beschikte, de hele dag mocht lezen, want dat was mijn liefste hobby. Ik zag mezelf weer ziek elk jaar in september, elk jaar met de kermis, en elk jaar bij het begin van de vakantie, want die veranderingen in mijn omgeving deden me geen goed. Het was allemaal gewoon té voor mij, zelfs de leuke dingen. Ze brachten me van streek, ook al had ik naar iets uitgekeken, want het was niet wat ik gewend was. Ik zag mezelf weer in angst voor de andere kinderen, de lessen, de leerkrachten en hun eventuele vragen, hoewel ik elk jaar bij de besten van de klas was. Ik zag mezelf weer als tiener, zelfs dan nog lijdend onder diezelfde angsten, en hoe die angsten dagelijks zelfs lichamelijk tot uiting kwamen. Ik zag mezelf weer de vele onderzoeken ondergaan bij dokters en in ziekenhuizen, wanhopig op zoek naar een aanwijsbare oorzaak van al dat lichamelijke leed.
Ik zag het allemaal terug en kreeg ineens ontzettend veel medelijden met dat kleine meisje. Of ik door alles vroeger – en nu eigenlijk nog altijd – zo overweldigd werd door het feit dat ik een HSP ben, of dat de oorzaak helemaal ergens anders ligt, maakt niet zoveel uit. Het feit blijft dat, zonder het al teveel te willen dramatiseren, iederéén van ons heeft moeilijkheden, het geen wonder is dat ik geworden ben wie ik ben, als ik in beschouwing neem hoe verschrikkelijk ik de wereld al ervaarde als peuter, en dat zo is blijven voortduren. Het mag eerder een wonder heten dat ik nu leef zoals ik leef. Stel je voor dat elk kindje dat komt vragen om te spelen, elke juf die je vraagt hoeveel 2+2 is, elke tante die je vraagt hoe het op school was, zodanig als bedreigend wordt ervaren dat je kleine lijfje – in mijn geval meer bepaald het spijsverteringsstelsel – er op reageerde, hoeveel en hoe lang zou je zoiets kunnen dragen – en het kunnen plaatsen, want als vierjarige had ik toch net iets minder inzicht als nu – zonder niet een beetje tot waanzin gedreven te worden, zonder aan de rand van complete uitputting te staan, zonder daar blijvende gevolgen van te dragen?
Mijn angstige reactie op zich kan als flauw gezien worden en ik ben de eerste om dat zelf toe te geven – uiteindelijk heb ik nooit echte rampen meegemaakt; ik ben nooit in een allesverwoestende orkaan beland of niemand heeft mij ooit willen vermoorden – maar misschien moet ik mezelf over all toch niet langer blijven zien als een loser, een zwakkeling. Misschien ben ik net sterk, want of die angsten voor alles wat maar bewoog nu een reëel gevaar inhielden of niet, voor mij waren ze levensecht, en moest ik er dag in dag uit mee omgaan. En, in alle bescheidenheid, ik doe het toch maar, want hoe anders ik ook ben, hoe anders ik ook reageer op de dingen, hoeveel gevaarlijker gewoonweg leven ook is in mijn hoofd, ik leef mijn leven zoals de anderen, zoals de maatschappij van mij verwacht. Ik trotseer de al dan niet ingebeelde gevaren elke dag om te gaan werken zoals iedereen, ik ga relaties aan, ik run een huishouden. Ondanks alles doe ik netjes wat de kudde tweepoters van mij verwacht dat ik doe.
Wat me op zijn beurt dan weer misschien ongelooflijk dom maakt. Want voor wíe doe ik al die dingen eigenlijk om aan het ideaalbeeld te voldoen? Wie heeft er baat bij dat ik alles zo mooi volgens de opgelegde regeltjes en volgorde doe terwijl het zo hard tegen mijn natuur indruist? Wat als ik mezelf nu gelukkiger zou maken door ergens op een berg te gaan wonen, ver weg van de bewoonde wereld en alleen omringd door dieren, hele dagen tekenend of whatever, net genoeg om in de basisbehoeften te kunnen voorzien? Zou daar iemand op deze planeet – buiten de regering, die in dat geval niet langer de helft van mijn loon kan aanslaan – slechter van worden? I think not. Heb ik de guts om de maatschappij de rug toe te keren en mijn hart te volgen? I think not. Een beetje chicken shit, weet je wel.
Maar ik leer bij. Een paar weekends geleden zag ik – op het werk, of all places – bijna het licht. Het drong ineens tot me door dat er van al mijn angsten nog maar weinigen werkelijkheid waren geworden, en plots vroeg ik me af waar het dan allemaal goed voor geweest is, al dat sidderen en beven. Ik besloot het ter stond blauw en groen op wit te zetten, alsof ik een brief naar mijn pasgeboren zelf schreef, in de hoop het nooit meer te vergeten. En dus schreef ik het volgende naar baby Nina:
Little girl,
* you’ll think you’ll faint 24/7 for many years, but you’ll only do so a few times, and it’s not that scary
* you’ll hate your job, but you’ll find another one
* you’ll get on many planes, but you will never crash
* your heart will act up a whole lot of times, but it will never stop beating
* you’ll think you’re gonna die eating or drinking, but you’ll never do
* you’ll lose some friends, but you’ll find new ones
* your heart will be broken when you’re 17 and 29, but it will get fixed
* you’ll have a lot of doubts, but you’ll let go of them along the way
* you’ll look death into the eyes several times but you’ll walk away from it
* you’ll be scared of water, but you’ll learn how to swim
* you’ll wish you were somewhere else, but you’ll discover there’s no place like home
don’t be afraid
Mijn eerste dertig levensjaren krijg ik nooit meer terug, maar soms, heel soms, heb ik goede hoop voor de volgende dertig jaar, en dat die heel wat zorgelozer en dichter bij mezelf zullen verlopen. Kon ik die brief van mijn zestigjare zelf aan mijn dertigjarige zelf maar ergens vinden.

In de laatste rechte lijn naar de finish hebben we het eventjes ongemeen spannend gemaakt, kapoenen dat we zijn, maar ik denk dat ik wel mag zeggen dat we glansrijk geslaagd zijn en als we dan toch ook eens aan een cliché moeten doen, we er stronger than ever zijn uitgekomen. Vandaag is het immers weer nul zes nul twee, de dag waarop het allemaal begon negen jaar geleden.
Happy anniversary baby, let’s not even let death do us part.