Dan waagt een mens zich drie uur in -26°C, dan laat dat rotpoollicht zich niet fatsoenlijk zien zeg. Maar niet getreurd, het was zo ook al meer dan de moeite. Alleen al de voorbereidingen voor zo’n expeditie zijn een avontuur op zich. De helse pijnen van de dag ervoor indachtig, speurden we voor vertrek het internet af naar tips voor warme voeten bij Siberische temperaturen. Wat later zaten we uit kranten zolen uit te knippen, die isolerend zouden werken, en haalden we alvast de tube vaseline boven. Nog wat later, na een saunabeurt – daardoor ben ik op één dag van +70°C naar -26°C gegaan, mijn persoonlijk record – was het tijd voor de echte voorbereidingen. Die bestonden uit: een thermisch sweatshirt, een wollen trui, een fleece trui, een fleece vest, een legging, een fleece broek, een losse trainingsbroek, voeten, handen en gezicht insmeren met vaseline, een paar gewone sokken en een paar skikousen, tien lagen papieren zolen, thermozolen, speciale thermoschoenen, een thermo-overall, zo’n fleece ding dat je over je hoofd trekt om als sjaal/gezichtsbescherming te gebruiken, een sjaal, een muts en twee paar handschoenen. ‘Even snel hier of daar binnenspringen’ is in zo’n omgeving dus niet echt van toepassing.
Bij vertrek voelde dat als normaal aan, na vijf minuten wachten op onze gids-met-bus en nog eens een kwartier in het busje wachten op nog andere avonturiers, begon de lichaamstemperatuur toch al lichtjes te dalen. Tegen de tijd dat we aan de reindeerfarm aankwamen, wist ik dus al dat het alweer een verloren zaak was. Maar daar was de eerste afleiding al; een sprookjesachtige regen van lichtgevende glinsters bij elke uitademing. Terwijl we wachtten tot al de rendieren voor hun slee gespannen waren, vielen we van de ene verbazing in de andere door al het wonderlijks dat er in de lucht te zien was, van gekleurde stroken tot heuse witte glinsterende zuilen bij elke verlichting tegen een achtergrond van de meeste heldere sterrenhemel, waarin zelfs Mars duidelijk te onderscheiden viel.
De heenreis door het besneeuwde landschap in het pikdonkere bos verliep een beetje moeizaam voor ons achterbuurtje. Als laatste in de rij van een vijftal sleeën moest het arme dier twee zware mannen voorttrekken, en nadat de slee en hijzelf eerst waren komen vast te zitten, lukte het hem niet meer om een klein bergje op te raken, waardoor het stakkertje viel en niet meteen rechtkon. Eventjes zag ik er de pret echt niet meer van in, als er een dier moet afzien, hoeft het niet voor mij. De rest van de tocht verliep echter vlekkeloos, waardoor het, als je de pijn in je voeten kon negeren, alleen maar genieten was. ’s Avonds in het donker door een rendierslee voortgetrokken worden door een besneeuwd, Laplands bos, een mens doet dat niet elke dag. Wat een mens ook niet elke dag doet, is middenin dat bos in een houten hut een vuur aansteken en worstjes op een stok braden en oppeuzelen, om vervolgens op de terugweg een groene waas aan de ene kant van de hemel te ontwarren, terwijl je aan de andere kant een lichtplek ziet alsof de felste zon die je ooit zag in het midden van de nacht begint op te komen. Het enige wat je op zo’n moment kan denken, is: wow. Wow, wow, wow. This is magical.
Magisch was echter ook het feit dat ik bij thuiskomst amper nog naar onze chalet kon stappen omdat mijn voeten over elke pijngrens heen stilaan gevoelloos begonnen worden. But I’d do it all over again, just to experience the magic of that night once more. Wow.