Maandelijkse archieven: januari 2009

Je van bij de eerste ontmoeting meteen even comfortabel voelen als bij je beste-vriendin-sinds-vijftien-jaar. De meest onzinnige theorieën spuien over al het gebeurde van de afgelopen weken zonder reserves. Mekaar vinden in muziek die anderen de wenkbrauwen doet fronsen. Al meteen een beetje kattekwaad – we houden het voor ons wat het precies was, maar reken maar dat we utterly cool en echte durvers zijn – uithalen. Smsen zonder je te hoeven afvragen of je niet te eager overkomt. Elkaar bijstaan in het afweren van opdringerige fans. De hele week met een Antwerps accent, hoewel ik niets heb met die provincie, “Die is echt kaaiileeuukk”, soms uitgebreid met “Ge gaat die ook keeeiicoool vinden” – dat verloopt dan weer in mijn eigen taaltje, begrijpe wie begrijpen kan – lopen gillen in huis. En ga zo maar door.
Jep jep. Als ik een man was, ik zou tot over mijn oren verliefd zijn op mijn Blondine-Van-Vrijdag. Maar ik ben een vrouw. En dus gewoon hyperblij en in de wolken dat die kleine meter zeventig gekkigheid mijn pad heeft gekruist. Got this feeling we’s gonna be kickin a whooole lot o’ ass together, my blonde and I. Booyaahh!

The Killers, Metallica, Placebo en Coldplay. Ik loop er al geruime tijd om te zeuren, maar nu zijn ze eindelijk bekend, de eerste namen van Rock Werchter. Nu kan ik aan mijn “Hoe lang nooog??”-gezeur beginnen. Kwestie van eens een andere plaat op te zetten, nietwaar.

Plannen om eventjes naar New York te gaan in de lente, plannen om een maand uit het leven van alledag te stappen dankzij onbetaald verlof, plannen om in die maand allerlei nieuwe dingen te leren en een pad te bewandelen dat ik tot hiertoe niet kende, plannen om 4/5 te werken. Drukte op het werk wegens De Grote Herinrichting met yours sincerely als mede-coördinatrice en klaagmuur, drukte thuis omdat ik wegens omstandigheden de moed niet vond om daar veel nuttigs te doen vorige week en zich dat nu toch wel begint te tonen, drukte om de vele verjaardagen en bijhorende etentjes en cadeautjesjacht die zich rond dit tijdstip voordoen.
Druk dus. Druk-druk-druk. Maar dat betert wel, zegt men. Whoever ‘men’ may be.

Dan waagt een mens zich drie uur in -26°C, dan laat dat rotpoollicht zich niet fatsoenlijk zien zeg. Maar niet getreurd, het was zo ook al meer dan de moeite. Alleen al de voorbereidingen voor zo’n expeditie zijn een avontuur op zich. De helse pijnen van de dag ervoor indachtig, speurden we voor vertrek het internet af naar tips voor warme voeten bij Siberische temperaturen. Wat later zaten we uit kranten zolen uit te knippen, die isolerend zouden werken, en haalden we alvast de tube vaseline boven. Nog wat later, na een saunabeurt – daardoor ben ik op één dag van +70°C naar -26°C gegaan, mijn persoonlijk record – was het tijd voor de echte voorbereidingen. Die bestonden uit: een thermisch sweatshirt, een wollen trui, een fleece trui, een fleece vest, een legging, een fleece broek, een losse trainingsbroek, voeten, handen en gezicht insmeren met vaseline, een paar gewone sokken en een paar skikousen, tien lagen papieren zolen, thermozolen, speciale thermoschoenen, een thermo-overall, zo’n fleece ding dat je over je hoofd trekt om als sjaal/gezichtsbescherming te gebruiken, een sjaal, een muts en twee paar handschoenen. ‘Even snel hier of daar binnenspringen’ is in zo’n omgeving dus niet echt van toepassing. 
Bij vertrek voelde dat als normaal aan, na vijf minuten wachten op onze gids-met-bus en nog eens een kwartier in het busje wachten op nog andere avonturiers, begon de lichaamstemperatuur toch al lichtjes te dalen. Tegen de tijd dat we aan de reindeerfarm aankwamen, wist ik dus al dat het alweer een verloren zaak was. Maar daar was de eerste afleiding al; een sprookjesachtige regen van lichtgevende glinsters bij elke uitademing. Terwijl we wachtten tot al de rendieren voor hun slee gespannen waren, vielen we van de ene verbazing in de andere door al het wonderlijks dat er in de lucht te zien was, van gekleurde stroken tot heuse witte glinsterende zuilen bij elke verlichting tegen een achtergrond van de meeste heldere sterrenhemel, waarin zelfs Mars duidelijk te onderscheiden viel.
De heenreis door het besneeuwde landschap in het pikdonkere bos verliep een beetje moeizaam voor ons achterbuurtje. Als laatste in de rij van een vijftal sleeën moest het arme dier twee zware mannen voorttrekken, en nadat de slee en hijzelf eerst waren komen vast te zitten, lukte het hem niet meer om een klein bergje op te raken, waardoor het stakkertje viel en niet meteen rechtkon. Eventjes zag ik er de pret echt niet meer van in, als er een dier moet afzien, hoeft het niet voor mij. De rest van de tocht verliep echter vlekkeloos, waardoor het, als je de pijn in je voeten kon negeren, alleen maar genieten was. ’s Avonds in het donker door een rendierslee voortgetrokken worden door een besneeuwd, Laplands bos, een mens doet dat niet elke dag. Wat een mens ook niet elke dag doet, is middenin dat bos in een houten hut een vuur aansteken en worstjes op een stok braden en oppeuzelen, om vervolgens op de terugweg een groene waas aan de ene kant van de hemel te ontwarren, terwijl je aan de andere kant een lichtplek ziet alsof de felste zon die je ooit zag in het midden van de nacht begint op te komen. Het enige wat je op zo’n moment kan denken, is: wow. Wow, wow, wow. This is magical.
Magisch was echter ook het feit dat ik bij thuiskomst amper nog naar onze chalet kon stappen omdat mijn voeten over elke pijngrens heen stilaan gevoelloos begonnen worden. But I’d do it all over again, just to experience the magic of that night once more. Wow.

Over een half uur mag ik eindelijk één van de pijnlijkste weken van mijn leven afsluiten. “Eigen stoef stinkt”, zeggen ze bij ons, maar toch ben ik best wel trots op mezelf dat ik tijdens dit hele drama niet huilend naar de huisarts ben gehold om een weekje thuis in mijn bed te liggen zoals ik vroeger wel zou gedaan hebben.
Als beloning krijg ik vanavond dan ook iets waar ik al lang heel, heel erg naar uitkijk; een blind date, en niet eens met een man. Wel met een superintelligente, bloedmooie blondine. Ha!

Een twee uur durend tranendal was nodig om te bekomen van de shock van het binnenstappen in mijn eigen huis dat niet meer als mijn thuis aanvoelde, nu alles zo anders was. Twee uur waarin alle pijn en verdriet op een vloeibare manier mijn lichaam moest verlaten. Het ontheemde gevoel dat de bodem onder mijn voeten was weggehaald, alle zekerheden vraagtekens waren geworden. Het zelfmedelijden, het kinderlijke gemis naar het  veilige gevoel onder moeders vleugels, het afscheid van mijn laatste restje naïviteit. Het Calimero-gevoel, de vraag waarom ik al sinds mijn kleutertijd geplaagd wordt door angststoornissen die me nog nooit, in al die tijd, eens één dag met rust hebben gelaten, bij momenten in combinatie met een depressie, en ik nu dit er nog moet bijnemen. De vraag wat ik ooit had misdaan om dit te verdienen. De vraag wat de les was van dit alles, waarom ik op deze manier getest wordt. De onmacht, de radeloosheid, het gevangen gevoel van met je rug tegen de muur te staan. Voor voldongen feiten gesteld worden en als enige keuzes de pest en de cholera gepresenteerd krijgen. Het eeuwige dilemma van de roker waarbij het roken zelf ellendig is maar stoppen nog ellendiger, maar dan in het eindeloze kwadraat. Het gevoel dat vliegtuig te zijn dat het leger neerhaalt en opoffert om te voorkomen dat er anders een hele stad gevaar loopt.
Na een onrustig uurtje kwam de woede opborrelen, de razernij over de oneerlijkheid van dit alles, de bitterheid, het sarcasme, het cynisme, de drang om de duivel te aanbidden en al het goede in de wereld kapot te maken zoals ik zelf werd kapot gemaakt, de wil om de dood in het gezicht uit te lachen alvorens mezelf van het leven te ontnemen, het afdalen naar de diepste duisternis, daar waar no man has ever gone before. Ik riep en schreeuwde, kwakte de inhoud van mijn nog onuitgepakte toilettas leeg tegen de badkamermuur tot er een put kwam op de plaats waar ooit de nieuwe spiegel komt. Ik schopte  en sloeg en kwakte mijn snel leeg wordende doos Kleenex tegen de slaapkamermuur. Ik vloekte en spuwde scheldwoorden uit en sloeg nog wat meer. Het was pas nadat ik over mijn hele, compleet uitgeputte, lichaam begon te trillen dat ik de strijd moest staken.
Pas na een bijna vijf uur durende tirade was ik klaar voor het belangrijkste; een constructief gesprek aangaan met diegene die negen jaar lang mij was geweest en nu een volslagen vreemde leek. Er werden moeilijke vragen gesteld en pijnlijke antwoorden gegeven. Woorden werden ettelijke keren herhaald, tot we er zeker van waren dat we het helemaal juist van elkaar begrepen en we op dezelfde golflengte zaten. De vraag hoe het zal aflopen, bleef onbeantwoord, want in de toekomst kijken kunnen we nog net niet, maar er is toch weer wat klaarheid geschept in de zaak. Ik heb mezelf weer wat meer gevonden, ik heb hem weer wat teruggevonden. Ik heb zijn pijn gezien, ik heb zijn eindeloze liefde gezien. Ik heb zijn wil om te vechten gezien, en dat is genoeg voor nu. Meer dan mijn wonden likken en het stap voor stap bekijken, wil ik even niet. Ik wil nu gewoon eerst weer thuiskomen, and we’ll take it from there.

[I. en PB, bedankt om te luisteren zonder veroordelen. De mensen die in theorie dichter bij mij staan als jullie, en met hen 99% procent van de bevolking, zouden het niet gekund hebben zoals jullie het kunnen, not even close, en we weten alledrie ook waarom. Thanks, thanks, thanks.]

Ik heb mijn woorden gewikt en gewogen vannacht. Ik heb een zakelijke, bijna formele stijl gehanteerd. Bij de afsluiting geen lieve woorden, enkel de vermelding van het vermoedelijke tijdstip van mijn aankomst zondag en een korte ‘tot dan’. Het was de enige manier om klaar en duidelijk mee te delen wat ik te zeggen had. Dat wat ons de laatste maanden overkomt, te veel begint de vergen van mij, zeker nu ik helse temperaturen moet trotseren met een absoluut minimum aan slaap en eten, dat er nog voor de laatste hap alweer uitkomt door de mentale pijn die roofbouw pleegt op mijn lichaam. Dat we zodanig verschillend reageren op de recente gebeurtenissen, dat ik eigenlijk maar één uitweg meer zie. Dat ik hierover niet via de nu beschikbare middelen wil praten, en dat de communicatie dus beter stilgelegd wordt tot ik terug ben, hoewel ik al zo’n donkerbruin vermoeden heb hoe het zal lopen. Dat ik geen drastische beslissingen over negen jaar lief en leed wil nemen terwijl ik hier in het hoge Noorden zit en hij in een thuis die dat misschien niet lang meer zal zijn.
Nadat het oude jaar in mineur is geëindigd en het nieuwe in mineur is begonnen, zal dat wat een spectaculaire vakantie had moeten zijn, in nog grotere mineur eindigen. Ik hoop uit het diepst van mijn hart dat voor onze relatie niet hetzelfde geldt.

Een rendier dat dag komt zeggen, dat ziet er zo uit:

14-jan-a-007verkleind2

De achterkant van een rendier dat een slee trekt en beslist even te stoppen om te drinken, dat ziet er zo uit:

14-jan-a-036verkleind

Een wit rendier, dat maar één op duizend keer voorkomt, ziet er zo uit:

14-jan-coolpix-004verkleind

De bakken met post voor de Kerstman van over de hele wereld – hij ontving er dit jaar 600.000 – ziet er zo uit:

14-jan-a-060verkleind1

Zonsondergang om 14:00 in Santa’s Park bij een ijspilaar ziet er zo uit:

woensdag-lumix-071verkleind

Een Nina met bevroren sjalen – inderdaad ja, twee over elkaar – en muts-op-half-zeven ziet er zo uit:

film-016verkleind

Ik probeer ze morgen wat rechter te zetten, beloofd. Hoe bevroren voeten die zoveel pijn doen dat je er zelfs maagpijn van krijgt eruit zien, kan ik niet tonen, laat staan beginnen uitleggen hoe dat voélt. Buiten dan: niet voor herhaling vatbaar. Heb ik even pech dat we na de -20 van vandaag, morgen nog wat zakken tot -25. En ik ’s avonds buiten moet gaan zitten wachten tot – als - het poollicht zich toont. Zij die gaan doodvriezen, groeten u.

Het is wennen, een leven waarin het pas om elf uur licht – ook dat is relatief – wordt en om drie uur alweer donker is. Je wil je naar huis haasten ‘want het zal al bijna tijd zijn voor het avondeten’. Niet dus. Tijdens de weinige uren in het licht en na een grondige studie van de temperaturen zijn we opnieuw naar de stad gegaan om de rest van de week te gaan vastleggen. Morgen wordt de ‘zwaarste’ dag: ons rendierrijbewijs halen, de Poolcirkel oversteken en de enige echte Kerstman bezoeken. Overmorgen, volgens de voorspellingen de meest heldere dag, springen we ’s avonds opnieuw de rendierslee in om op zoek te gaan naar het poollicht. Die ervaring hopelijk – het is altijd afwachten of dit wonder der natuur zich voordoet op het moment dat je kant en klaar rond een kampvuur zit te wachten – rijker, bezoeken we vrijdag een huskyfarm, waar we na de nodige uitleg de dieren zelf mogen voederen en een ritje maken met onze eigenste huskyslee.
Het beste moet dus nog komen, want laat ons eerlijk zijn, buiten die uitstapjes is het hier maar behoorlijk stil. De stad heb je na twee keer wel gezien. Naar verluidt is het één van de grootste steden van Europa en qua totale oppervlakte zal dat wel kloppen, maar meer dan twee bevolkte straten zijn er niet – laat er nu net in één van die twee straten en ondertussen ook in mijn koffer de perfecte zwarte pump staan – en van openbaar vervoer is hier niet veel sprake. De meer dan een half uur durende wandeling ernaartoe, die gisteren met gewone kledij bij +3°C nog vlot ging, wordt bij -13°C en dus véél lagen en zware schoenen al een pak vermoeiender. Spierpijn is dus ons deel; vandaag door de zware tocht, gisteren door het feit dat de enige manier van voortbewegen bestond uit wel heel krampachtig voortschuifelen wegens spekgladde wegen. Zo glad dat ik ’s avonds even vreesde dat ik nooit het restaurant op de berg zou bereiken omdat het enige wat je deed, terug naar beneden schuiven was. Lachen, dat wel, maar ik heb toch graag op tijd en stond mijn eten. Voeten opheffen werd dus maar afgeschaft en het begrip schandelen zag het licht. Nu ja, licht.
Ook de camera heeft het moeilijk om zich aan te passen aan de koude en de kleuren die de lucht hier vertoont en we bij ons niet kennen. Regelmatig probeert het verkleumde ding me wijs te maken dat er geen memory card inzit, op andere momenten krijg in plaats van mijn volledige scherm maar een half scherm meer te zien, boven en onder omringd door zwarte banden. De rest van de week gaat de grotere variant mee, hopelijk is die wel tegen een stootje en/of een graad of 15 onder nul bestand.

001bewerkt

 

023bewerkt

 

033

 

047

Van enig gevoel voor romantiek kan ik geenszins beschuldigd worden. Meer nog, als ik anderen zie die daarvan een sterk staaltje tentoon spreiden, borrelt er inwendig een lichte agressie op en van verkleinwoordjes als ‘mijn ventje’ ga ik – mijn excuses aan diegenen die zich hieraan bezondigen – compleet over mijn nek. De hand van mijn One vasthouden doe ik hooguit één keer per jaar. Op Rock Werchter, in een dronken bui, om elkaar niet kwijt te spelen. Ofzo. En aan al de andere activiteiten die andere koppels uitoefenen in het openbaar, doe ik al helemaal niet mee. 
Alle dingen die mij met mijn significant other binden, die echte pure liefde, die kleine maar mooiste momenten, daar heeft kat noch ander levend wezen zaken mee. Zo gedetailleerd als ik hier schrijf over eender wat, zo weinig rep of toon ik in het openbaar over dat wat alleen van ons is. Want ik blijf altijd cool. En ik sta op mijn zelfstandigheid. Ieder een eigen huis, af en toe een scharrel, zonder hem op vakantie, het moet allemaal kunnen. Al is het maar om aan mezelf te bewijzen dat, als hij op een dag mocht vertrekken, ik fier overeind zal blijven, want ik weet dat ik alleen perfect mijn boontjes kan doppen omdat ik mijn zaken netjes voor elkaar heb.
Maar deze week telt dat allemaal even niet meer. Was ik al maar thuis, denk ik soms stiekem deze week. Dan kan ik hem terug zien, horen en  voelen en heel heel stiekem inwendig smelten. Want Miss Icequeen mist haar beste vriendje like crazy. Bleih.