Maandelijkse archieven: september 2008

Wat zal het stil zijn in huis voor Maylen,” dacht ik vanmiddag toen ik, meer dan drie weken nadat ik bij het buitenrijden opgejaagd “So long, shithole” kon mompelen tegen het gebouw waar ik minimum veertig uur per week doorbreng, weer op weg was naar datzelfde gebouw. “Wat zal het een drukte zijn voor mij,” dacht ik, “van één mens en een handvol dieren ineens weer naar tientallen mensen om me heen.” 
Leuk is het nooit, dat éénseptembergevoel, maar - jawel, the madness continues – al bij al viel het nog mee. Ik kwam aan en ik zag:

  • 5827 mails
  • Eén nieuw Franstalig Kuiken, een tweede onderweg en één nieuwe niet zo rechtstreekse collega
  • Een Nederlandstalig Kuiken dat al het Franstalig papierwerk op haar bureau liggen heeft, en een Franstalig Kuiken dat al het Nederlandstalig papierwerk op haar bureau liggen heeft, maar toch behandelen ze elk het werk in hun eigen taal
  • Overblijfselen van drie gemiste afscheidsfeestjes
  • Vorderingen in de interne verhuisplannen
  • Een mail van een ex-collega om mijn persoonlijk e-mailadres te vragen en te zeggen dat ze ons mist

Al de rest zie ik nog even niet. Het was een dag van bijpraten, een klein beetje zielig doen met mijn collega-éénseptemberaars IT-er en beste vriendin Kristel en vooral al die mails wegwerken. Morgen vlieg ik er echt weer in. Wie weet ga ik het nog leuk vinden ook. Maar voor vandaag is het genoeg geweest, dat laatste uur mag nu wel voorbijvliegen.

Ik doe een beetje gek sinds ik terug ben van vakantie, en mijn sidekick doet dapper mee. Zo vonden we onszelf gisteravond rond negen uur – nog even extra benadrukken dat het hier wel degelijk zaterdagavond, ofte de meest trendy avond van de week betreft – meloen snijdend in de keuken, zodat we die frisse dosis vitamines in bed bij een film konden oppeuzelen. Wij. In de keuken. Met fruit. Op zaterdagavond.
We handelden uit heimwee naar betere oorden en tijden, alwaar we elke ochtend en elke avond gretig stukken meloen van het buffet plukten, laat dat een verzachtende omstandigheid zijn. We hebben het geheel overgoten met een flinke dosis slagroom. Kwestie van onze zaterdagavond toch een beetje een edgy kantje te geven.

Ik neem hem in mijn armen, zoals ik meerdere keren per dag doe. Ik hoop op niets, zoals ik anders ook nooit doe. Hij houdt er niet zo van, wil altijd zo snel mogelijk wegrennen als ik hem oppak. Spelen is leuker, zie je.
Maar dit keer stribbelt hij niet tegen. Een minuut lang blijft hij bij mij liggen. Stilletjes. Ik ook stilletjes, genietend. We zijn weer een stapje verder. Of net dichter.

En met wat heeft ons Nina zich vandaag in stilte beziggehouden? Het vervullen van een heel, heel héééél lang gekoesterde meisjesdroom. De kenners, ik vermoed vooral van het vrouwelijke geslacht, hebben niet meer beelden nodig…

Het wordt hoog tijd dat ik mijn leven omgooi. Dat zeg ik al jaren, vooral wanneer ik vakantie, en dus afstand van alles, neem, of wanneer ik het weer eens compleet niet meer zie zitten op het werk. Al die jaren heb ik er nog nooit iets aan gedaan, en nu ga ik dat waarschijnlijk ook weer niet doen, want een mens vervalt na een brainwashing holiday gemakshalve snel in het mindless thinking patroon van er gewoon voor zorgen dat je elke dag op je werk verschijnt, hier en daar proberen het huis netjes te houden en zo af en toe eens wat slapen. Nu ik daar weer eventjes buiten sta – lucky me – kriebelt het toch weer om van de ene vicieuze cirkel over te stappen in de andere. Alleen weet ik niet hoe.
De vicieuze cirkel waar ik in zit, is de minst leuke. Duh. Anders zou ik niet willen overstappen. Het is de cirkel van in dienst staan van een bedrijf that probably couldn’t care less, maar dat je elke maand netjes een vast loon oplevert. Het werk valt net genoeg mee om het nog even uit te zitten, maar je zit er overduidelijk niet op je plaats. De grote valkuil van deze cirkel is echter dat je niet zomaar kan zeggen “Weet je wat, ik ben het beu, ik geef er de brui aan”, want dat zou voor problemen zorgen. Voor je dat opgelucht kan uitroepen, moet je eerst je handtekening zetten bij een ander, hopelijk iets beter, maar nog steeds niet ‘wauw’-bedrijf. Je hangt namelijk vast aan een heel aantal dingen, such as huishuur of lening, vaste kosten en liefst ook gewoon wat verwennerijtjes. En dat vaste, dat is soms een behoorlijke pain in the ass, want het beperkt je bewegingsvrijheid op een manier dat je het er soms benauwd van krijgt. De enige optie die je lijkt te hebben, is op hetzelfde elan verdergaan, want om de boeg helemaal om te gooien heb je veelal diploma’s nodig, die of moeilijk te behalen zijn in combinatie met een fulltime job, of enkel te behalen zijn via dagonderwijs waardoor je verplicht wordt te leven van de liefde, aangezien het van geld in dat geval niet meer zal zijn. Het is niet zo’n aantrekkelijke cirkel dus.
Maar ik heb er een andere gezien, en die is véél leuker. Hij is zo leuk dat ik niet eens weet of vicieus in die context nog wel mag gebruikt worden, hoewel die cirkel ook bestaat uit een aaneenschakeling van acties en reacties. Waar de eerste geregeerd wordt door trefwoorden als grijs, saai, verplichtingen en vastzitten, nemen bij deze hele andere woorden de leiding. Woorden als passie, talenten, variatie en uitdagend. Het is veelal de cirkel van zelfstandigen, bij voorkeur creatieve zelfstandigen. Ik zie hoe hard ze werken, harder dan de mensen van mijn cirkel, maar hoe ze het amper als werken beschouwen. Wat ze eigenlijk doen is hun talenten ten volle benutten, bijna van hun hobby een beroep maken, en ik zie hoe ze daar tonnen energie uit putten. Ze zitten niet vast in één job, maar hoppen van de ene opdracht naar de andere, die altijd net op het juiste moment lijken binnen te stromen. Hoe meer ze zich uitleven op een project, des te sneller lijkt iets nieuws, nog leukers, zich aan te kondigen, en daarmee ook een mooie verloning. Waardoor ze nog meer bewegingsvrijheid krijgen op vlak van geld, time management en de keuze van de projecten. Ze zitten niet van maandag tot vrijdag acht uur per dag in dezelfde ruimte hetzelfde te doen, maar gaan het ene moment naar een meeting, het volgende naar een klant, tussendoor schrijven ze een column of reppen ze zich weer naar een fotoshoot en daarna geven ze een acte de présence, maken ze reclame of geven of volgen ze een workshop. Ik zie ze vaak ’s avonds laat of in het weekend werken, maar ook zomaar op een, laat ons zeggen, donderdagmiddag even wat leuks doen ter compensatie. Vanuit de grijze cirkel wordt deze kleurrijke variant misschien lichtjes geïdealiseerd, maar ik kan niet ontkennen wat ik zie: deze mensen zijn gelukkiger. Ze werken harder, maar krijgen energie uit hun werk in plaats van dat het hen leegzuigt. Hun dagen zijn langer, maar ze zijn minder moe. Omdat ze werken met passie, met dat waar ze in uitblinken en wat ze dolgraag doen.
Ik wil héél, héél graag naar die cirkel. Liever dan ooit tevoren. Alleen. Ik kan niets. Er schuilt in mij geen geboren actrice, fotografe, kunstenares, schrijfster, danseres of kledingontwerpster. Het enige wat ik kan, is zo goed mogelijk doen wat er op het werk van me gevraagd wordt, en de vraag of het nu uitmaakt of ik hard werk of er de kantjes vanaf loop, negeren. Maar dat is niet meer genoeg. Allang niet meer. Nooit geweest eigenlijk. It’s just. Waar in godsnaam vind ik Mijn Speciaal Talent, als ik er überhaupt al één zou hebben? En hoe specialiseer ik me daar vervolgens in zodat ik er mijn geld mee kan verdienen, liefst voor maandag?

De ongeverfde trend is bij deze officieel gelanceerd. Ik weet niet wat het is met die hatelijke activiteit also known as verven, maar ik moet er nog maar aan denken of ik voel de woede al opborrelen. I can not begin to express how very, very, very much I hate it. Laat me kiezen tussen één uur verven en vierentwintig uur onafgebroken strijken, en ik kies voor de laatste optie, no doubt in my mind. Geef me de keuze tussen één uur verven en vierentwintig uur onafgebroken afwassen en ik heb de fles Dreft vast nog voor iemand het ergerlijkste werkwoord ooit kan uitspreken. Bovendien kan ik het ook helemaal niet en loopt er gegarandeerd vanalles mis; de borstel die stuk gaat met bijhorende bewijzen op pas gelegde vloer, een veeg grijze verf op de pasgeschilderde beige muur of een hele kamer om je voet neer te planten maar die toch net ín de verf zetten. Nog nooit ben ik in de buurt van verf of borstel gekomen zonder dat het fiasco uitdraait op niet één, maar een hele reeks tantrums van mijnentwege. Op zo’n dag blijft iedereen best een dertigtal kilometers uit de buurt, want ik ben écht niet te genieten dan.
Het bad karma dat over het v-woord hangt, blijkt zich als kers op de taart ook nog eens verder en verder uit te breiden naar de voorbereidende activiteiten. Zo ver dat het volgende keer zonder twijfel al misloopt wanneer iemand anders een muur zet die ik ooit, zeven jaar later, zal verven. Als ik ooit nog verf, that is. Ik overweeg namelijk meer en meer om het laatste restje verbouwbudget te spenderen aan iemand die het in mijn plaats doet voor ik er zelf een hartverzakking aan overhoud. Dat ik het daardoor een paar maanden zonder verlichting moet doen wegens geldgebrek, neem ik er maar bij. Want vandaag heb ik er nog eens aan gedacht, aan verven. En het liep weer in het honderd. En ik ben nu weer zo razend kwaad dat ik zin heb om de hele inboedel kort en klein te slaan.
Na een heus gevecht met een ladder van vijf meter die in een badkamer van vier meter hoog moest raken zonder al teveel te beschadigen, behoorlijk angstaanjagende en gevaarlijke constructies met het onding dat, met mij erop, besloot een metertje te verschuiven én een kapotte vinger, opgelopen tijdens de voorbereidende schuurwerken, was het tijd om naar de winkel te trekken voor wat nieuw materiaal. Ik vermoed dat ze het een spatel noemen, ik ben zeker dat ik het wou gebruiken om de gaten hier en daar wat op te vullen alvorens ze terug gelijk te schuren en dan het geheel te v*****. Terwijl ik toch op ronde was, zou ik alvast primer kopen, een mens weet namelijk nooit dat hij er plotsklaps geen genoeg van kan krijgen en blijft doorgaan tot het bittere einde. As if.
Voor men zich echter naar de winkel wil verplaatsen met behulp van een wagen, moet men dat handige ding eerst volgieten met een heerlijk ruikend maar afgrijselijk duur goedje. Op naar het tankstation dus, en dan allesbehalve vol goede moed naar de doe-het-zelf-zaak. Alwaar ik voor het uitstappen checkte of ik mijn bankkaart wel had, een gewoonte die ik god weet wanneer heb aangeleerd. Nog voor ik ergens binnenga waar ik dat immer te lege kaartje moet bovenhalen, controleer ik op het maniakale af of het zich wel bevindt waar het zich moet bevinden. Ten eerste om mezelf het trauma te besparen aan een kassa te komen en dan te constateren dat je niet kan betalen, ten tweede omdat ik geen portefeuille heb. Waar ik afgelopen week dringend iets aan wou doen wegens een beetje vervelend, altijd het wisselen van pas, bankkaart en rijbewijs van de ene handtas naar de andere, en het twijfelen welke klanten- of andere kaarten ik ook nog zou overhevelen. Het lot wou echter dat er momenteel geen enkele portefeuille op de markt is waarmee ik enigszins vrede kan nemen – ik wil zo’n grote lange, zoals de grote mevrouwen, maar het mag niet té truttig zijn – en dat heeft vandaag voor de tweede keer deze week voor problemen gezorgd.
Problemen dus. Ik had nog maar amper een blik op mijn handtas geworpen toen ik besefte dat ik daar geen bankkaart zou vinden. In het beste geval zou ik ze op het dak van mijn auto vinden, maar die kans schatte ik, terecht, bijzonder klein in. I do not blame myself though. I blame the fucking forwards. Een tijd geleden ontving ik namelijk zo één van die soort die ik eigenlijk zelden of nooit open, maar for some bad karma reason, als aanloop naar deze dag, opende ik de desbetreffende mail wél, nadat hij eerst al een maand of vijf in mijn inbox gekampeerd had. Tot mijn grote ontsteltenis las ik daar dat het gevaarlijk is om tijdens het tanken terug in je auto te stappen zoals ik altijd doe om mijn bankkaart al weg te stoppen. Kwestie van ze niet óp de auto te vergeten, en kwestie van te kunnen negeren dat ik op iets aan het wachten ben, want dat doe ik niet bijster graag, wachten. Maar dat in- en uitstappen schijnt dus levensgevaarlijk te zijn. Iets met wrijvingen en elektrisch geladen toestanden en vlammen uit je tank. Sinds die zwarte dag in de geschiedenis stap ik dus niet meer in mijn auto terwijl ik aan het tanken ben. En raak ik er niet aan gewend dat mijn kaart nog niet terug op zijn plaats zit op het moment dat ik klaar ben. Resultaat: een geblokkeerde rekening en kaartloos tot – in het beste geval – eind deze week, aka het einde van mijn vakantie. Tot dusver mijn toch wel twee uur durende poging om iets nuttigs te doen tijdens mijn werkloze week. Ik ben niet van plan iets in die richting te herhalen voor volgende week maandag. Leve het nutteloze, doelloze rondhangen in huis, voor de pc en de tv. Working is highly overrated, I’m tellin’ ye.

Ik heb niets te melden. Echt niet. Want ik heb niets gedaan sinds ik thuis ben. Echt niets. Maar ik ga proberen daar nu meteen verandering in te brengen, want ik wil mijn laatste week vakantie niet verspillen aan nog meer just hangin’ round terwijl er zoveel – leuke maar vooral minder leuke – dingen te doen zijn. Om met dat zeurende duiveltje in mijn hoofd – “Get your lasy ass up & movin’, er is nog zòòveel werk” – komaf te maken, begin ik met het minst leuke: de muren van onze te gigantische badkamer afschuren. Als ik dan over twee of vijf of acht maanden eens de moed vind, kan ik eindelijk beginnen verven. En anders lanceer ik een nieuwe trend; de ongeverfde. Veel makkelijker. En goedkoper. Bleih.

Zo. Ik heb ze besteld, de pumps die op papier schijnen te bestaan maar waarvan in geen enkele winkel het bewijs te vinden is. Over drie tot vijf dagen weet ik of ze in het echt ook zo goddelijk zijn als op foto. Wat natuurlijk ruimschoots te laat is voor het feestje van zaterdag, maar desnoods geef ik er het volgende weekend zelf één, ter ere van de Heilige Pump. Tenzij mijn voeten hardnekkig blijven aftakelen, that is.

Meerdere malen heb ik al aan den lijve mogen ondervinden hoe sterk de geest is en hoeveel invloed dat deeltje vernuft kan hebben op de rest van het menselijke lichaam, maar toch weet het me nog steeds te verbazen. Een bloemlezing uit wat ik op één maand tijd ondervonden heb op dat gebied:
* De kwestie ’shit ik ben een maand overtijd en - niet noodzakelijk daardoor – helemaal overspannen’:  “Jij zwanger? Helemaal niet!” was de huisarts wel heel overtuigd van haar stuk. “Vergeef me, maar je ziet er pakken slechter uit dan anders wanneer ik je over de vloer krijg, dus je hebt wel degelijk teveel hooi op je vork genomen”, begon ze aan haar verklaring. “en een lichaam dat onder zo’n hoogspanning staat, vindt het niet het geschikte moment om zwanger te worden, en zal het dus onder geen beding worden. Kijk maar naar al die koppels die verwoede pogingen wagen, en net op het moment wanneer ze de hoop hebben opgegeven, toch ineens zwanger raken. Het uitblijven van je menstruatie is simpelweg een kwestie van stress.”  Het mens bleek overschot van gelijk te hebben. Vier dagen van lichtjes verminderde stress – meer dan dat was mijn ziekteverlof niet – was al wat er nodig was om de boel weer op gang te trekken en me op de vijfde dag, de dag dat ik terug aan het werk ging, opgelucht naar Always te doen grijpen. Bijzonder goed gezien van mijn smart ass van een lijf, zo’n ingebouwde birth control, maar nog eens een hele zomervakantie als één langgerekte PMS beleven, thanks but no thanks!
* In de sectie ‘geen idee wat mijn geest daarmee te maken heeft maar gewoon merkwaardig’: mijn voeten laten het afweten sinds het huwelijk van Kristel. Die dag zelf heb ik voor het eerst in mijn leven blaren op vier van mijn tenen gekregen, op vakantie had ik na vijf stappen ineens een open wonde op mijn voet door het bandje van mijn teenslippers, hoewel ik gewend ben die te dragen, en op een dag begon helemaal uit het niets mijn voetzool ineens te bloeden. Een psychologische verklaring ligt hier vast niet achter, maar verdorie, waar komt die voetaftakeling dan wel ineens vandaan??
* In de categorie ‘al dan niet ingebeelde vermoeidheid’: theoretisch gezien had ik de eerste dag van mijn vakantie, die door de vroege vlucht na slechts anderhalf uur slaap begon, moeten doodvallen wegens oververmoeidheid. Gek genoeg deed ik dat niet. Integendeel, waar ik het loodje had moeten leggen, leek het wel alsof ik mijn tweede adem had gevonden, enkel en alleen te wijten aan het feit dat er een weekje zonnige ontspanning op het programma stond. Geen koorts, vermoeidheid, hoofd- of keelpijn te bekennen, alleen een heerlijk gezonde portie energie. Tot ik weer op Belgisch grondgebied kwam. Na een wel héél deugddoende vakantie leek mijn lichaam plots de strijd te verliezen tegen het leven in het thuisland. Verder dan de inhoud van één koffer, niet eens de mijne, meteen op zijn plaats te leggen, kwam ik de dag van aankomst niet, mijn energiepeil was nul komma nul. Ook de dag erna viel het allemaal wat tegen; tegen de middag was ik zo uitgeblust dat ik weer bedwaarts trok en er tot aan het avondeten in een diepe coma wegzonk. Dat belooft voor de herfst en winter, die angstaanjagend dichtbij lijken te komen.
* Mijn andere eeuwigdurende issue, de welbekende fobieën: op reis gaan is een onuitputtelijke bron van fobieën voor mensen als ik. Over de vlucht en alles wat errond hangt – de kans op een crash, de kans op een hartaanval en niet bepaald een ziekenhuis in de buurt op een paar duizend meters hoogte - wil ik het niet eens hebben. Komen daar als hoofdrolspelers bij de hitte en de aanwezigheid van anderen op plaatsen waar je veronderstelt wordt te eten. Wat betreft de hitte, die kan behoorlijk wat schade aanrichten. Om te beginnen kan je een zonneslag oplopen. Eén van de symptomen daarvan is overgeven, en laat ik nu net gezegend zijn met een knoert van een emetofobie. Bovendien krijg je van hitte, obviously, warm. En wanneer krijg je nog warm? Juist ja, vlak voor je flauwvalt, en laat ik nu net ook daarvan – nu ja, van wat niet? – onmetelijk bang zijn. Voor de nieuwsgierigen onder ons: geen van bovenstaande rampscenario’s is me overkomen. Waar ik het meest last van had, was het verdomde slikken, wat weer een pak moeilijker ging als in mijn veilige omgeving. Het incident op de tweede avond deed er niet bepaald goed aan. Halfweg het eten hoorde ik achter me een wel heel onheilspellend geluid. Voorzichtig keek ik om, want wat het precies was, wist ik niet zeker, maar ik vermoedde ofwel iemand die zonet zijn maaginhoud geleegd had, ofwel iemand die zich danig aan het verslikken was. Een paar tafels verder zag ik een vrouw gebogen over haar tafel staan. “Ow shit, gaat die nu echt haar bord onderkotsen?” vroeg ik me, helemaal in de ban van de thriller, af. Ze deed het niet. Ze ging terug zitten en legde met een paniekerig gezicht een hand op haar borst. “Fuck, nog véél erger, dat mens is aan het stikken!!” gilde ik in alle stilte bij mezelf. Haar man bleef, onbegrijpelijk, stoïcijns kalm, en deed niets anders dan haar aankijken. De gasten aan de tafel achter haar, die ondertussen net als ik danig gealarmeerd waren, stonden wél recht om het arme mens te helpen. Binnen de twee seconden had ook het voltallige zaalpersoneel zich rond haar tafel verzameld, toekijkend hoe één van de gasten de vrouw uit haar benarde situatie bevrijdde na iets wat een onmenselijke eeuwigheid leek te duren. Helemaal in shock door dit tafereel, kon ik het niet laten om regelmatig nog eens subtiel achterom te kijken, om te zien hoe je zo’n horror overleeft. Tien minuten later zat de vrouw, wiens bruingebrande teint als bij wonder verdwenen leek uit haar lijkbleke gezicht, nog steeds te bekomen, het klamme zweet voortdurend met haar zakdoek van haar gezicht deppend. Wow. Mijn allerergste nachtmerrie sinds behoorlijk lange tijd was zonet voor mijn ogen uitgekomen. Het enige geluk dat ik had, was dat ik niet diegene was wie het overkwam, maar zeggen dat ik lichtjes van de kaart was, is een understatement van jewelste. Ik zou gejankt hebben van miserie in die vrouw haar plaats. But then again, wenen had ik de laatste tijd al meer dan genoeg gedaan, dus ik slikte de tranen weg en ging semi-dapper, maar vooral heel voorzichtig, weer de strijd aan met wat me op mijn bord nog lag op te wachten. Meer dan ooit was ik ervan overtuigd dat slikken, en bijgevolg dus eten en drinken, wel degelijk levensgevaarlijk was. “Oh joy,” zuchtte ik tegen Maylen, “dat is weer een geweldige stap vooruit in mijn genezingsproces”. Bij wijze van toppunt van sarcasme schalde meteen daarna Tubular Bells – beter gekend als ‘dat lied van The Exorcist’ – uit de boxen. Van pure horror gesproken. De free shots – ik en in één keer iets leegdrinken, forget it – en de drank die de barmannen vanop de toog van onze club in de kelen van de klanten goten – over mijn lijk -, liet ik wijselijk, maar met een beetje pijn in het hart, aan mij voorbijgaan, een beetje zielig bedenkend hoeveel ik eigenlijk mis en hoeveel kleiner een wereld die overloopt van angsten eigenlijk is in vergelijking met die van ‘normale’ mensen. On a more positive note; na een moeizame ’slikweek’, eet en drink ik sinds de thuiskomst beter dan ik in lange tijd gedaan heb, alsof mijn geest, en daarmee ook mijn smart ass body, de veiligheid van mijn eigen thuis nog meer apprecieert sinds die pretty disturbing evening.
Nina en vakanties, het is en blijft een gewaagde combinatie. Het mag een klein wonder heten dat ik zo’n dingen actually als ontspanning beschouw. Hmpf.

“Oef, eindelijk weer thuis”, dacht ik toen ik de begane grond na een vlucht van vier uur weer onder mijn voeten voelde. “Wat denk ik nu toch weer, dat slaat compleet nergens op!!”, was mijn volgende – jawel, ik onderhoud boeiende en verrassende inwendige conversaties met mezelf soms – gedachte.  Per slot van rekening had ik het eiland in mijn hele leven nog maar één keer bezocht en had ik noch op familiale, noch op andere manier banden met dit wonderlijke miniplaatsje. Maar toch was dat het overheersende gevoel bij aankomst, eentje van onvervalst thuiskomen alsof ik er al mijn hele leven woonde en gewoon lange tijd van huis was geweest.
Het gevoel werd nog versterkt toen we een paar dagen later onze favoriete club van vorige keer bezochten. Al is het er in september niet meer bomvol zoals in het hoogseizoen, je vervelen doe je er geen minuut. De toog is een rechthoek, met in het midden tientallen, zoniet honderden flessen drank, met op elke hoek een barman die de klanten aan zijn hoek en zijn collega’s entertaint met een nooit aflatend enthousiasme. Het is een vrolijke bende kwajongens, die elkaar voortdurend de duvel aandoet. Hun favoriete hobby is een serviette vastsmelten aan een rietje, dat zo subtiel mogelijk aan de broek van een collega haken en het boeltje dan in de fik steken. Ze doen spelletjes waarbij een fles drank van de rug van hun hand opgegooid wordt en hun dichtsbijzijnde collega die op dezelfde manier moet opvangen, net zolang tot ze een foutloos parcours over de hele rechthoek van barmannen voltooid hebben, bijgestaan door commentaar van de dj. Er gaan geen tien minuten voorbij of ze bekogelen elkaar met rietjes of ijsblokjes, die ze regelmatig ook met zijn allen gelijktijdig tegen het plafond kwakken, zodat er een hele ijsregen naar beneden gespetterd komt. Ze laten een collega een flesje Smirnoff drinken terwijl ze zelf in een lange rij aan elkaar geschakelde rietjes blazen, waardoor het alcoholische goedje aan een bijna onmogelijke snelheid ofwel ín de collega belandt, ofwel alle kanten opspuit. Op gepaste tijden nemen ze elk in een hoek plaats en spuwen vuur over de indrukwekkende piramide van drankflessen. Op zaterdagavond zorgen ze ervoor dat er voor de club niemand parkeert en herhalen ze dat ritueel om middernacht op de stoep, wat voor een indrukwekkend nachtelijk schouwspel en heel wat kijklustigen, tot auto’s die prompt stoppen om te blijven kijken, zorgt. Een club naar mijn hart, quoi.
Het was dan ook geweldig om het allemaal opnieuw te aanschouwen, maar wat het helemaal afmaakte, was de verwelkoming door het personeel. Eentje meende zich ons vaag te herinneren, een ander kwam op ons af en wist ons uit het niets na al die tijd zelfs nog te vertellen wie we waren en waar we woonden. Een derde, die dit jaar in ‘onze’ hoek werkte, rekende uit dat hij in het jaar dat we er voor het eerst waren op de andere hoek werkte en hij toen een afrokapsel had, waarop wij hém herkenden. Tot in de vroege uurtjes palaverden we met hem over het leven, over onze gezamenlijke wens om ons permanent op het eiland te vestigen – hij werkt er al jaren een negental maanden per jaar en is daar bijgevolg ondertussen beter thuis dan in zijn vaderland – en over het feit dat de clubs een beetje in de nineties blijven vasthangen. Wat hem op het idee bracht dat Maylen eens met één van de Vier Broers, de eigenaars van de club, moest praten over het ontwerpen van nieuwe menu’s, flyers, logo’s en hell yeah, waarom niet, over een heuse redesign van de hele keet. Als Maylen een voet binnen kreeg in deze club, zouden de anderen snel volgen in de modernisering van de uitgaansbuurt, en aangezien het eiland zo klein is dat er maar een enkeling verstand heeft van al die toestanden en daarom het dubbele aanrekent van The One, was dit een absolute win-winsituatie, redeneerde hij. De barman was nog enthousiaster over het idee dan wijzelf, en gilde opgewekt dat we stéénrijk zouden worden als we er ons zouden vestigen en deals zouden kunnen sluiten met de rest van de clubs. Hij kwam aandraven met prijzen van stukken land en huizen, en zag het al helemaal zitten, net als wij, ware het niet dat ik mijn voeten net iets meer op de grond hou, ook al is dit scenario, mits een paar meevallende deals, behoorlijk realistisch. Per slot van rekening is Maylens job van die aard dat hij zijn klanten niet persoonlijk moet ontmoeten, en in theorie dus eender waar ter wereld zijn job kan uitoefenen zonder ook maar één Belgische klant te verliezen, mocht het in het nieuwe thuisland niet meteen storm lopen voor zijn prestaties.
De avond erna werden we als koningen verwelkomd. Elk personeelslid, van de afruimer tot de bazen, kwamen ons de hand schudden en ons uitgebreid begroeten. Binnen de vierentwintig uur voelde ik me er meer op mijn plaats dan in het stamcafé in onze stad, waar we al jaar en dag komen en waarvan de eigenaar nota bene familie is. Eén van de Vier Broers bekeek aandachtig de eerste try-outs die Maylen snel in elkaar had gebokst om al iets te kunnen tonen van de mogelijkheden. Op het Hed Kandi-feestje, dat in het achterliggende gedeelte plaatsvond die avond en dat de andere feestgangers vijfentwintig euro kostte, raakten we op simpel vermelden van onze naam gratis binnen, met complimenten van één van de barmannen. In tegenstelling tot de anderen die stonden aan te schuiven, kregen we bovendien een vip-bandje rond onze pols geschoven alsof we tot the rich and famous behoorden. Zelfs de opper rich and famous, een afstammelinge van één van de rijkste families van Roemenië, die één van de barmannen tijdens haar vakantie vorige maand zo leuk vond dat ze deze maand nog eens was teruggekomen, met haar eigen privé-jet uiteraard, schopte het niet zover. We kregen een unieke blik achter de schermen van de Griekse party-scène en hoorden de gekste anekdotes van barmannen die ’s ochtends na het werk thuiskomen, hun collega-barman en roomie dronken te lijf gaan met een borstel, door een salontafel vallen en vervolgens met snorkel en duikbril op in één van de kasten kruipt, zo hard knorrend als een varken dat de buurman en eigenaar van het appartement een kijkje komt nemen in de veronderstelling dat er een heuse overval aan de gang is.
Lang voor we aanstalten maakten om te vertrekken, treurde ’onze’ barman al dat hij ons ging missen, droomde dat we het ooit allemaal voor elkaar zouden krijgen om van het eiland onze echte thuis te maken, op een steenworp van elkaar, en kribbelde zijn gsmnummer op een stukje papier zodat we deze winter al de eerste voorbereidingen konden treffen. Enkele uren later, toen het écht wel tijd was om voor de laatste keer de deur achter ons dicht te slaan, deden we met een grote glimlach onze laatste ronde langs het personeel en de Vier Broers, terwijl inwendig mijn hart bloedde.
En het bloedt nog steeds. De koude, het daardoor de godganse dag moeten binnen zitten, het gejaagde van de mensen hier en de dichtbebouwde gebieden, ook al wonen we relatief landelijk, het steekt me meer dan ooit tegen en ik vind nog moeilijker mijn draai dan normaal al het geval is. Het enige wat ik kan doen, is bidden dat die deal voor Mayen erdoor komt, en de rest ook volgt, want dan worden onze emigratieplannen concreter dan ooit tevoren. Rest ons alleen nog in een rotvaart de verbouwingen af te handelen, zodat de huizen asap verhuur-klaar zijn. Want de dag dat de planeten goed staan en we definitief kunnen vertrekken, zullen mijn koffers sneller ingepakt zijn dan Kim Gevaert de honderd meter loopt, y’all can be damn sure about that. Mijn sportschoenen staan alvast klaar.